Mail ons

Overzicht

5 overpeinzingen bij 'het schone' en 5 lessen van de meester

Blogpost 13 Nov 2019

Sioo’s missie luidt: Sioo draagt bij aan de ontwikkeling van individu, organisatie en samenleving. Sioo daagt uit om samen en met precisie ruimte te maken voor het ware, het schone en het goede. Het is niet zo moeilijk om te begrijpen hoe we ‘het ware’ en ‘het goede’ proberen te realiseren, maar het bijdragen aan ‘het schone’ vraagt wat meer denkwerk. Vandaar dat we in 2020 een boek willen uitgeven dat ingaat op ‘het schone’ in verander- en organisatiekunde, leiderschap en het adviesvak. Als ik zelf aan schoonheid denk dan komen achtereenvolgens de volgende herinneringen bij me naar boven.

1:  Mijn oerervaring met schoonheid

Tussen mijn vijfde en elfde woonde ik in Brielle op Voorne-Putten. Veel familie woonde in Rotterdam, dus reden we vaak heen en weer tussen Rotterdam en de Briel. En ik wilde altijd heel, heel erg graag pas in de avond terug naar huis. Door de Botlek, langs Pernis, tussen de raffinaderijen door. Dat was een machtig gezicht: een verticaal lijnenspel van pijpen, waarlangs kleine lichtjes brandden en op de schoorstenen de vlammen van het affakkelen gloeiden. Over die weg van betonplaten hotste en kloste onze auto dan door dat landschap dat mij betoverde. Met elke meter weer een ander perspectief. Een bewegend samenspel in de esthetiek van het subtiele lijnenspel van schoorstenen, gecombineerd met de oerkracht van het warme oranjegele vuur met daarachter dramatisch donkere luchten. Het was zeker niet ‘schoon’ naar de milieunormen van deze tijd,  maar voor mij wel één van mijn eerste bewuste ervaringen van iets dat ik ademloos mooi vond.

2: Beeldende kunst als bron van inzichten over organiseren

Beeldende kunst is voor mij een inspiratiebron in mijn werk. Soms zijn kunstwerken zo krachtig in hun boodschap dat ik ze niet meer vergeet. Wanneer ik een inzicht krijgen door een kunstwerk, is dat een dubbele ervaring van schoonheid. Ik geef je twee voorbeelden daarvan. In het Kröller-Müller stond een sculptuur van hout waarin perspex en stalen platen waren gemonteerd die lelijke aanhechtingen hadden met het hout. Aanhechtingen die me deden denken aan de soms stroeve en lastige koppelpunten tussen bijvoorbeeld het primaire proces en de ondersteunende processen in organisaties. Het beeld van dat sculptuur blijft me dus bij en zorgt ervoor dat ik in mijn werk bewust kijk naar dit soort koppelpunten.

Een ander moment was de eerste keer dat ik de Victory Boogie Woogie zag. Ik kende hem natuurlijk uit de boeken, maar toen ik ervoor stond viel de klont tape op één van de plekken in het schilderij me pas echt op. Het was duidelijk een plek die maar niet ‘naar tevredenheid’ werd. Er was laag na laag, poging na poging, geprobeerd om het beter te maken. Ik kon me ineens voorstellen dat het in organisaties ook zo gaat. Als er eenmaal iets is dat niet ‘lekker loopt’ dan blijft men er naar kijken, eraan prutsen en gaat alle aandacht daar naar uit.

3. Schoon samenspel in een interventie

Een volgende herinnering is er één met collega W. Samen hebben we een overleg met een kerngroep in een lopend organisatieontwikkeltraject. Boven de tafel hangt, als ware het in een glazen bol, een onuitgesproken vraag. Een vraag of wij even iets kunnen ‘’fixen”. W. helpt de twee gesprekspartners om meer systemisch te kijken naar het voorval dat aanleiding was voor de nog onuitgesproken vraag. Dat loopt lekker. Op het moment dat de tijd daar rijp voor is, verwoord ik de onuitgesproken vraag: ‘Kijk, we kunnen wel ….en  …’, maar ik hoef niet uit te praten. De glazen bol spat uiteen en het issue is van tafel. De gesprekspartners begrijpen dat ze zelf aan de bak moeten in plaats van dat wij iets fixen. Zo’n moment waarin we in samenspel handelen, is voor mij een moment van schoonheid.

4. Een elegant en simpel ontwerp

Collega A. en ik zitten met laptops, flip-overs en stapels papier in een overlegruimte. A. heeft de leiding in het maken van een  grote offerte. De uitvraag staat vol soms tegenstrijdige wensen en eisen, het gaat om meerdere doelgroepen en het budget is beperkt. Ofwel: een mooie ontwerpuitdaging. Ik ben niet de enige ‘meedenker’. Er ligt inmiddels input van vier anderen. A. en ik hebben beiden een beknopte uitwerking gemaakt van ons beeld van tot welk soort ontwerp al die input en al die randvoorwaarden nu leidt. We zetten beide varianten op het whiteboard, integreren en combineren. We gebruiken de wisser om elementen te verwijderen en werken zo toe naar een ontwerp dat recht doet aan alle input, de beste variant is voor de uitvraag omdat hij op alle aspecten scoort én past binnen budget. Het eindresultaat is elegant en simpel. Het heeft een duidelijke ritme waarin twee leerlijnen en 2 organiseerprincipes elkaar afwisselen. Pure schoonheid die ontstaat uit een ‘rommelige’ analysefase.

5. Organiseren voor het goede

Organisaties zijn heel vaak een beetje ‘rommelig’ ontworpen wat het moeilijk kan maken om goed werk te leveren. Maar soms stuit ik ineens op ware parels. Misschien verrassend, maar twee van die parels heb ik in de zorg gevonden. De sector die piept en kraakt onder administratieve lastendruk. De ene organisatie, jeugdhulporganisatie Lokalis, werkt met een aantal krachtige principes waarmee ze de reflectieve werkpraktijk vormgeven. Ze hanteren alleen de hoogst noodzakelijke regels en protocollen en vooral geen checklijstjes. De essentie is om op basis van de principes doorlopend professioneel te handelen en daarover in interactie zijn en blijven met collega’s. Daarmee werken ze ook aan de ontwikkeling van het vak. En dan lukt het ze óók nog om dat vak te expliciteren.

De andere organisatie, gehandicaptenzorgorganisatie Prinsenstichting, werkt met complexe cliënten. Maar als je dat zegt word je steevast gecorrigeerd. Niet de cliënten zijn complex, het samenspel tussen de cliënt en de context maakt het complex. Als geen ander zijn zij in staat om het werk zo te organiseren dat de cliënten, die in elke andere omgeving als complex bestempeld zouden worden, met al hun beperkingen een zo gewoon mogelijk leven kunnen leiden. Nu stellen ze zich de vraag: ‘wat doen we nu precies waardoor het werkt’? en ‘Hoe helpt anders organiseren om deze kwaliteit nóg beter te benutten en tot onze kerncompetentie te maken?’.

Tot slot: Niet rekenen maar voelen, schoonheid als ambacht

Als het over schoonheid gaat, kan ik niet om De Ambachtsman van Sennet heen. Eerder schreef ik daar uitgebreid over. Hier een fragment uit die blogreeks.

Met schilderstape hebben we een vak op de muur afgeplakt. Een vak achter een open kast dat we willen kleuren zodat de voorwerpen die erin staan een ‘dramatische’ achtergrond krijgen. Het moet een stukje breder dan de kast, dat is duidelijk en snel bepaald. Maar we doen langer over de hoogte. Eerst plakken we hem af op een gelijk percentage als de breedte. ‘Dat is het niet niet’, zien we als we de kast er weer even voorzetten. Dan proberen we de lijn met de deurpost aan te houden: mooi symmetrisch. Dat is het ook niet. De juiste verhouding blijkt een willekeurige lijn tussen die twee te zijn.

In de Ambachtsman van Sennet staat een passage over een obsessie voor vakmanschap waarin Sennet een verhaal vertelt over Wittgenstein die een huis bouwt. Een huis wat ‘het’ net niet is. Het mist oorspronkelijk leven. Oorzaak? Wittgenstein beredeneert en berekent alles in verhoudingen. Net als onze eerste poging met de kast. Sennet destilleert er vijf zeer herkenbare lessen voor goed vakmanschap uit.

5 lessen van de meester

  1. De goede vakman kent het belang van een schets, dat wil zeggen dat je niet precies weet wat je gaat doen als je begint. De schets voorkomt een voortijdig slot, want je kunt niet weten wat je kunt bereiken voordat het werk begint.
  2. De goede vakman hecht waarde aan onvoorziene gebeurtenissen en beperkingen. Als je je materiaal kent ben je in staat om problemen te zien als kansen en uit te buiten in intuïtieve sprongen.
  3. Een goede vakman moet vermijden dat hij een probleem isoleert van andere vraagstukken want dan verliest het zijn relationele karakter en levert de oplossing geen meerwaarde aan het geheel.
  4. Een goede vakman gaat perfectionisme uit de weg, zeker als die er alleen aan bijdraagt om te laten zien wat hij kan of een vorm boven het belang van de functie stelt.
  5. Een goede vakman weet wanneer het tijd is om te stoppen, namelijk wanneer meer werk afbreuk gaat doen omdat het als het ware de productie van het werk uitwist.

Het zijn lessen die bijdragen aan het laten ontstaan en behouden van het schone. Het zijn adviezen voor adviseurs, veranderaars en managers die naast ‘het ware’ en ‘het goede’ ook ‘het schone’ van belang vinden.

Wil je delen hoe jij ruimte maakt voor ‘het schone’ in jouw werk?

Sioo’s missie luidt: Sioo draagt bij aan de ontwikkeling van individu, organisatie en samenleving. Sioo daagt uit om samen en met precisie ruimte te maken voor het ware, het schone en het goede. Het is niet zo moeilijk om te begrijpen hoe we ‘het ware’ en ‘het goede’ proberen te realiseren, maar het bijdragen aan ‘het schone’ vraagt wat meer denkwerk. Vandaar dat we in 2020 een boek willen uitgeven dat ingaat op ‘het schone’ in verander- en organisatiekunde, leiderschap en het adviesvak. Als ik zelf aan schoonheid denk dan komen achtereenvolgens de volgende herinneringen bij me naar boven.

1:  Mijn oerervaring met schoonheid

Tussen mijn vijfde en elfde woonde ik in Brielle op Voorne-Putten. Veel familie woonde in Rotterdam, dus reden we vaak heen en weer tussen Rotterdam en de Briel. En ik wilde altijd heel, heel erg graag pas in de avond terug naar huis. Door de Botlek, langs Pernis, tussen de raffinaderijen door. Dat was een machtig gezicht: een verticaal lijnenspel van pijpen, waarlangs kleine lichtjes brandden en op de schoorstenen de vlammen van het affakkelen gloeiden. Over die weg van betonplaten hotste en kloste onze auto dan door dat landschap dat mij betoverde. Met elke meter weer een ander perspectief. Een bewegend samenspel in de esthetiek van het subtiele lijnenspel van schoorstenen, gecombineerd met de oerkracht van het warme oranjegele vuur met daarachter dramatisch donkere luchten. Het was zeker niet ‘schoon’ naar de milieunormen van deze tijd,  maar voor mij wel één van mijn eerste bewuste ervaringen van iets dat ik ademloos mooi vond.

2: Beeldende kunst als bron van inzichten over organiseren

Beeldende kunst is voor mij een inspiratiebron in mijn werk. Soms zijn kunstwerken zo krachtig in hun boodschap dat ik ze niet meer vergeet. Wanneer ik een inzicht krijgen door een kunstwerk, is dat een dubbele ervaring van schoonheid. Ik geef je twee voorbeelden daarvan. In het Kröller-Müller stond een sculptuur van hout waarin perspex en stalen platen waren gemonteerd die lelijke aanhechtingen hadden met het hout. Aanhechtingen die me deden denken aan de soms stroeve en lastige koppelpunten tussen bijvoorbeeld het primaire proces en de ondersteunende processen in organisaties. Het beeld van dat sculptuur blijft me dus bij en zorgt ervoor dat ik in mijn werk bewust kijk naar dit soort koppelpunten.

Een ander moment was de eerste keer dat ik de Victory Boogie Woogie zag. Ik kende hem natuurlijk uit de boeken, maar toen ik ervoor stond viel de klont tape op één van de plekken in het schilderij me pas echt op. Het was duidelijk een plek die maar niet ‘naar tevredenheid’ werd. Er was laag na laag, poging na poging, geprobeerd om het beter te maken. Ik kon me ineens voorstellen dat het in organisaties ook zo gaat. Als er eenmaal iets is dat niet ‘lekker loopt’ dan blijft men er naar kijken, eraan prutsen en gaat alle aandacht daar naar uit.

3. Schoon samenspel in een interventie

Een volgende herinnering is er één met collega W. Samen hebben we een overleg met een kerngroep in een lopend organisatieontwikkeltraject. Boven de tafel hangt, als ware het in een glazen bol, een onuitgesproken vraag. Een vraag of wij even iets kunnen ‘’fixen”. W. helpt de twee gesprekspartners om meer systemisch te kijken naar het voorval dat aanleiding was voor de nog onuitgesproken vraag. Dat loopt lekker. Op het moment dat de tijd daar rijp voor is, verwoord ik de onuitgesproken vraag: ‘Kijk, we kunnen wel ….en  …’, maar ik hoef niet uit te praten. De glazen bol spat uiteen en het issue is van tafel. De gesprekspartners begrijpen dat ze zelf aan de bak moeten in plaats van dat wij iets fixen. Zo’n moment waarin we in samenspel handelen, is voor mij een moment van schoonheid.

4. Een elegant en simpel ontwerp

Collega A. en ik zitten met laptops, flip-overs en stapels papier in een overlegruimte. A. heeft de leiding in het maken van een  grote offerte. De uitvraag staat vol soms tegenstrijdige wensen en eisen, het gaat om meerdere doelgroepen en het budget is beperkt. Ofwel: een mooie ontwerpuitdaging. Ik ben niet de enige ‘meedenker’. Er ligt inmiddels input van vier anderen. A. en ik hebben beiden een beknopte uitwerking gemaakt van ons beeld van tot welk soort ontwerp al die input en al die randvoorwaarden nu leidt. We zetten beide varianten op het whiteboard, integreren en combineren. We gebruiken de wisser om elementen te verwijderen en werken zo toe naar een ontwerp dat recht doet aan alle input, de beste variant is voor de uitvraag omdat hij op alle aspecten scoort én past binnen budget. Het eindresultaat is elegant en simpel. Het heeft een duidelijke ritme waarin twee leerlijnen en 2 organiseerprincipes elkaar afwisselen. Pure schoonheid die ontstaat uit een ‘rommelige’ analysefase.

5. Organiseren voor het goede

Organisaties zijn heel vaak een beetje ‘rommelig’ ontworpen wat het moeilijk kan maken om goed werk te leveren. Maar soms stuit ik ineens op ware parels. Misschien verrassend, maar twee van die parels heb ik in de zorg gevonden. De sector die piept en kraakt onder administratieve lastendruk. De ene organisatie, jeugdhulporganisatie Lokalis, werkt met een aantal krachtige principes waarmee ze de reflectieve werkpraktijk vormgeven. Ze hanteren alleen de hoogst noodzakelijke regels en protocollen en vooral geen checklijstjes. De essentie is om op basis van de principes doorlopend professioneel te handelen en daarover in interactie zijn en blijven met collega’s. Daarmee werken ze ook aan de ontwikkeling van het vak. En dan lukt het ze óók nog om dat vak te expliciteren.

De andere organisatie, gehandicaptenzorgorganisatie Prinsenstichting, werkt met complexe cliënten. Maar als je dat zegt word je steevast gecorrigeerd. Niet de cliënten zijn complex, het samenspel tussen de cliënt en de context maakt het complex. Als geen ander zijn zij in staat om het werk zo te organiseren dat de cliënten, die in elke andere omgeving als complex bestempeld zouden worden, met al hun beperkingen een zo gewoon mogelijk leven kunnen leiden. Nu stellen ze zich de vraag: ‘wat doen we nu precies waardoor het werkt’? en ‘Hoe helpt anders organiseren om deze kwaliteit nóg beter te benutten en tot onze kerncompetentie te maken?’.

Tot slot: Niet rekenen maar voelen, schoonheid als ambacht

Als het over schoonheid gaat, kan ik niet om De Ambachtsman van Sennet heen. Eerder schreef ik daar uitgebreid over. Hier een fragment uit die blogreeks.

Met schilderstape hebben we een vak op de muur afgeplakt. Een vak achter een open kast dat we willen kleuren zodat de voorwerpen die erin staan een ‘dramatische’ achtergrond krijgen. Het moet een stukje breder dan de kast, dat is duidelijk en snel bepaald. Maar we doen langer over de hoogte. Eerst plakken we hem af op een gelijk percentage als de breedte. ‘Dat is het niet niet’, zien we als we de kast er weer even voorzetten. Dan proberen we de lijn met de deurpost aan te houden: mooi symmetrisch. Dat is het ook niet. De juiste verhouding blijkt een willekeurige lijn tussen die twee te zijn.

In de Ambachtsman van Sennet staat een passage over een obsessie voor vakmanschap waarin Sennet een verhaal vertelt over Wittgenstein die een huis bouwt. Een huis wat ‘het’ net niet is. Het mist oorspronkelijk leven. Oorzaak? Wittgenstein beredeneert en berekent alles in verhoudingen. Net als onze eerste poging met de kast. Sennet destilleert er vijf zeer herkenbare lessen voor goed vakmanschap uit.

5 lessen van de meester

  1. De goede vakman kent het belang van een schets, dat wil zeggen dat je niet precies weet wat je gaat doen als je begint. De schets voorkomt een voortijdig slot, want je kunt niet weten wat je kunt bereiken voordat het werk begint.
  2. De goede vakman hecht waarde aan onvoorziene gebeurtenissen en beperkingen. Als je je materiaal kent ben je in staat om problemen te zien als kansen en uit te buiten in intuïtieve sprongen.
  3. Een goede vakman moet vermijden dat hij een probleem isoleert van andere vraagstukken want dan verliest het zijn relationele karakter en levert de oplossing geen meerwaarde aan het geheel.
  4. Een goede vakman gaat perfectionisme uit de weg, zeker als die er alleen aan bijdraagt om te laten zien wat hij kan of een vorm boven het belang van de functie stelt.
  5. Een goede vakman weet wanneer het tijd is om te stoppen, namelijk wanneer meer werk afbreuk gaat doen omdat het als het ware de productie van het werk uitwist.

Het zijn lessen die bijdragen aan het laten ontstaan en behouden van het schone. Het zijn adviezen voor adviseurs, veranderaars en managers die naast ‘het ware’ en ‘het goede’ ook ‘het schone’ van belang vinden.

Wil je delen hoe jij ruimte maakt voor ‘het schone’ in jouw werk?