Mail ons

Overzicht

De rol van ambachtelijke ingenieurs in organisatielandschappen

Blogpost 2 Mar 2021

Ontwerpers en ingenieurs worden nog wel eens weggezet in de “blauwe hoek” van planmatige professionals zonder creativiteit. Iets waar ik het pertinent mee oneens ben. Ontwerpers verbeelden oplossingen die nog niet bestaan en ingenieurs zijn ‘experimenteerders’ pur sang. Ik zag dat weer eens mooi geïllustreerd aan de hand van de verhalen over drie bekende stedenbouwkundigen uit Stadsleven van Richard Sennett.

De komst van vele nieuwe bewoners in grote steden, een beweging die in het begin van de 19de eeuw op gang kwam, zorgde voor nieuwe sociaal-maatschappelijke uitdagingen in die steden. De omstandigheden in de sloppenwijken, die als paddenstoelen uit de grond schoten, waren ronduit slecht.  De Spaanse architect Cerdà introduceerde in die tijd het begrip ‘stedenbouwkundigen’. Er was nieuwe taal nodig om op een nieuwe manier naar de stad te kijken. 

Die eerste generatie stedenbouwkundigen hielden zich vooral bezig met de sociaal-maatschappelijke vraagstukken van de stad. Kwesties rond volksgezondheid bijvoorbeeld. Het waren niet de artsen die naar oplossingen zochten, maar de ingenieurs. Artsen hadden geen idee hoe cholera of TBC ontstond. “De ingenieurs werden de ambachtslieden van de moderne stad, die zich tot doel stelden de kwaliteit van leven in de steden door middel van technische experimenten te verbeteren,” schrijft Sennett in Stadsleven. Van gladde bestrating -zodat paardenvijgen makkelijker verwijderd konden worden- tot het pissoir.

Ze hadden te maken met tal van onzekerheden. Bazalgette, die de Londense riolering aanlegde, had geen kengetallen. Hij wist niet wat de benodigde capaciteit moest zijn. Daarom nam hij pijpen met een grotere doorsnede dan hij dacht nodig te hebben. Redundantie, voor ons een bekend organiseerprincipe.

Werken aan je doorgaande professionalisering kan volgens mij op vele manieren. Sennett bespreekt in Stadsleven drie invloedrijke figuren die de stad wilden verbeteren. Van alle drie valt voor ons als adviseurs en veranderaars iets te leren. 

Idefons Cerdà en monocultuur

Het Barcelona van Cerdà was een ongezonde stad. En men wist inmiddels dat besmettelijke ziektes konden worden voorkomen met hygiënemaatregelen. Cerdà wilde een stad creëren met gelijkwaardige omstandigheden voor alle inwoners. Daartoe ontwierp hij een zogenaamd additief model van staduitbreiding. Een patroon van huizenblokken dat eindeloos herhaald kon worden. De typerende bouwblokken met afgeschuinde hoeken in het stadsdistrict Eixample ontstonden als twee tegenover elkaar staande gebouwen met een grote open ruimte, zodat alle huizen veel licht binnen kregen. Later werden ze aan de zijkanten verbonden zodat een gesloten bouwblok met een grote binnenplaats ontstond. In de bouwblokken wisselden woningen voor verschillende sociale klassen zich af. Er was geen vaste indeling, met betrekking tot hoogste etages of achterhuizen bijvoorbeeld. Maar langzamerhand werden de binnenplaatsen volgebouwd. Het werd steeds donkerder en viezer in de bouwblokken.

En dat is precies de achilleshiel van Cerdà’s additieve uitbreidingsplan. Vanuit alle goede bedoelingen, rechtvaardigheid en gelijkheid van alle bewoners creëerde hij een monocultuur. In de landbouw is al lang bekend dat als de grond eenzijdig wordt uitgeput de gewassen vatbaarder voor ziektes worden. Die logica geldt ook in de stedenbouw. “Plannen waarbij zeer op elkaar gelijkende delen worden toegevoegd, mogelijk tot in het oneindige, zijn zeer vatbaar voor sociale en economische problemen, want als er een huizenblok in verval raakt is er geen reden waarom bij aangrenzende, identieke huizenblokken niet voor identieke oorzaken hetzelfde zal gebeuren,” lezen we in Stadsleven.

Een les die ook wij mee kunnen nemen in ons werk! Een op het eerste gezicht misschien wat rommelige diversiteit in organisaties zorgt op de langere termijn voor een veerkrachtigere organisatie. In professionaliserings- en organisatieontwikkelingstrajcten creëren wij vaak veel verschillende “ruimtes”, vanuit het idee dat elke ruimte ook voor een bepaalde taak staat. Via Cerdà’s uitbreidingsplan en het risico op verloedering hebben we een extra onderbouwing bij die redenering gevonden.

Frederick Law Olmsted en inclusiviteit

Het stratenplan van New York in het midden van de 19e eeuw hield op geen enkele manier rekening met het natuurlijk landschap, de bestaande boerderijen, gehuchten en bewoners. Het walste nietsontziend overal overheen. Landschapsarchitect Frederick Law Olmsted werd zowel door een bezoek aan Liverpool, destijds een van de centra van Britse slavenhandel, als door een reis door de slavenstaten van Amerika zich bewust van de rassenproblematiek. Hij begon parken te zien als plaatsen waar de verschillende rassen met elkaar om konden gaan. Grote parken, geen plekken voor nabuurschap, in de wijk of buurt, maar plaatsen voor gezelschap. Daar was iedereen welkom. Zijn uitgangspunt was dat inclusiviteit makkelijker te bewerkstelligen was in een onpersoonlijke ruimte,  en  sneller onder vreemden ontstaat dan onder buren. Functionele ruimtes, fabrieken en winkelstraten zouden volgens hem vriendelijke omgang met elkaar niet stimuleren.

Met de aanleg van Central Park, toen nog buiten de stad, werd in 1858 begonnen. Er is niets natuurlijks aan. Elke heuvel is aangelegd, terwijl bestaande heuvels juist afgegraven werden. Moerassen werden drooggelegd om ergens anders een meer aan te leggen en te vullen met water van elders. De principes van ‘iedereen is welkom’ werden doorgevoerd. Geen hoge hekken, veel ingangen en dag en nacht open.

Olmsteds visie, een ruimte waarin sociale verschillen konden worden overbrugd, bleek kwetsbaar toen het park nog geen 40 jaar na de opening werd geflankeerd door herenhuizen met de bevoorrechten der stad. De bezoekers van het park waren minder divers. De armen en de lagere middenklasse kwam alleen nog bij speciale gelegenheden. Overigens raakte het park ook in verval. In de jaren ‘60, de jaren van het verschil van inzicht tussen Jacobs en Mumford, waren grote investeringen nodig om het park van de teloorgang en de criminaliteit te redden.

Inclusiviteit is een thema in veel organisaties. Bewust en onbewust vindt er veel in- en uitsluiting plaats. Olmsted zet me aan het denken, omdat ik nog niet eerder nagedacht heb over de invloed van de ‘Ville’ (de  gebouwde omgeving)  op in- en uitsluiting.

Baron Haussmann en onbedoelde effecten

Boulevard Haussmann in Parijs kennen we allemaal. Stedenbouwkundige baron Haussman loste de verkeersinfarcten van de stad op door deze te doorsnijden met boulevards. Zijn motivatie was echter anders, hij wilde voorkomen dat de smalle straten in tijden van oproer gebarricadeerd konden worden. Vanaf de brede boulevard dacht hij die straten onder schot te kunnen houden.

De boulevards kregen ook een sociale functie. Er kwamen woningen aan de boulevards voor de nieuwe middenklasse. Binnenplaatsen met winkels en werkplaatsen, op de eerste etage de meer bemiddelde bewoners en hoe hoger, hoe minder welvarend. De cafés op de boulevards werden verzamelplaatsen voor iedereen. Er werden warenhuizen geopend met grote etalages, een unicum in die tijd, waar iedereen zich aan de stillevens in die etalage kon vergapen.

Door Haussmanns ingrepen in de stad kwam mobiliteit centraal te staan in de definitie van ‘een goede stad’. Een notie die leidend werd in de aanleg van steden in de 20e en 21e eeuw: je moet je zo snel mogelijk van de ene plek naar de andere kunnen verplaatsen. Dit gebeurt in ons vak en in  organisaties volgens mij veelvuldig. We willen het een en bereiken iets anders, iets dat niet meer terug te draaien is.

Tot slot

Elke lezer zal waarschijnlijk ook andere lessen uit de drie verhalen trekken en andere associaties met ons vak hebben. Mij helpt het altijd om vanuit een ander domein naar mijn vak te kijken, het maken van verbindingen met andere werelden.

Er is een bepaalde hoeveelheid organisatie- en veranderkundige bagage noodzakelijk om te kunnen leren van andere domeinen. In ons consultingprogramma De Nieuwe Adviseur maken deelnemers veelvuldig gebruik van inspiratie uit andere domeinen om te reflecteren op hun eigen handelen, het vak, om inspiratie aan te ontlenen voor de ontwikkeling van hun propositie en om hun ambacht door te ontwikkelen. Ze verbinden die inspiratie met hun bestaande organisatie- en veranderkundige bagage te komen en daarmee voegen ze iets toe aan het vak.

Interne en externe adviseurs met ervaring kunnen vanaf oktober in De Nieuwe Adviseur hun “koffer” beginnen vullen.

Ontdek ‘De Nieuwe Adviseur’!

Ontwerpers en ingenieurs worden nog wel eens weggezet in de “blauwe hoek” van planmatige professionals zonder creativiteit. Iets waar ik het pertinent mee oneens ben. Ontwerpers verbeelden oplossingen die nog niet bestaan en ingenieurs zijn ‘experimenteerders’ pur sang. Ik zag dat weer eens mooi geïllustreerd aan de hand van de verhalen over drie bekende stedenbouwkundigen uit Stadsleven van Richard Sennett.

De komst van vele nieuwe bewoners in grote steden, een beweging die in het begin van de 19de eeuw op gang kwam, zorgde voor nieuwe sociaal-maatschappelijke uitdagingen in die steden. De omstandigheden in de sloppenwijken, die als paddenstoelen uit de grond schoten, waren ronduit slecht.  De Spaanse architect Cerdà introduceerde in die tijd het begrip ‘stedenbouwkundigen’. Er was nieuwe taal nodig om op een nieuwe manier naar de stad te kijken. 

Die eerste generatie stedenbouwkundigen hielden zich vooral bezig met de sociaal-maatschappelijke vraagstukken van de stad. Kwesties rond volksgezondheid bijvoorbeeld. Het waren niet de artsen die naar oplossingen zochten, maar de ingenieurs. Artsen hadden geen idee hoe cholera of TBC ontstond. “De ingenieurs werden de ambachtslieden van de moderne stad, die zich tot doel stelden de kwaliteit van leven in de steden door middel van technische experimenten te verbeteren,” schrijft Sennett in Stadsleven. Van gladde bestrating -zodat paardenvijgen makkelijker verwijderd konden worden- tot het pissoir.

Ze hadden te maken met tal van onzekerheden. Bazalgette, die de Londense riolering aanlegde, had geen kengetallen. Hij wist niet wat de benodigde capaciteit moest zijn. Daarom nam hij pijpen met een grotere doorsnede dan hij dacht nodig te hebben. Redundantie, voor ons een bekend organiseerprincipe.

Werken aan je doorgaande professionalisering kan volgens mij op vele manieren. Sennett bespreekt in Stadsleven drie invloedrijke figuren die de stad wilden verbeteren. Van alle drie valt voor ons als adviseurs en veranderaars iets te leren. 

Idefons Cerdà en monocultuur

Het Barcelona van Cerdà was een ongezonde stad. En men wist inmiddels dat besmettelijke ziektes konden worden voorkomen met hygiënemaatregelen. Cerdà wilde een stad creëren met gelijkwaardige omstandigheden voor alle inwoners. Daartoe ontwierp hij een zogenaamd additief model van staduitbreiding. Een patroon van huizenblokken dat eindeloos herhaald kon worden. De typerende bouwblokken met afgeschuinde hoeken in het stadsdistrict Eixample ontstonden als twee tegenover elkaar staande gebouwen met een grote open ruimte, zodat alle huizen veel licht binnen kregen. Later werden ze aan de zijkanten verbonden zodat een gesloten bouwblok met een grote binnenplaats ontstond. In de bouwblokken wisselden woningen voor verschillende sociale klassen zich af. Er was geen vaste indeling, met betrekking tot hoogste etages of achterhuizen bijvoorbeeld. Maar langzamerhand werden de binnenplaatsen volgebouwd. Het werd steeds donkerder en viezer in de bouwblokken.

En dat is precies de achilleshiel van Cerdà’s additieve uitbreidingsplan. Vanuit alle goede bedoelingen, rechtvaardigheid en gelijkheid van alle bewoners creëerde hij een monocultuur. In de landbouw is al lang bekend dat als de grond eenzijdig wordt uitgeput de gewassen vatbaarder voor ziektes worden. Die logica geldt ook in de stedenbouw. “Plannen waarbij zeer op elkaar gelijkende delen worden toegevoegd, mogelijk tot in het oneindige, zijn zeer vatbaar voor sociale en economische problemen, want als er een huizenblok in verval raakt is er geen reden waarom bij aangrenzende, identieke huizenblokken niet voor identieke oorzaken hetzelfde zal gebeuren,” lezen we in Stadsleven.

Een les die ook wij mee kunnen nemen in ons werk! Een op het eerste gezicht misschien wat rommelige diversiteit in organisaties zorgt op de langere termijn voor een veerkrachtigere organisatie. In professionaliserings- en organisatieontwikkelingstrajcten creëren wij vaak veel verschillende “ruimtes”, vanuit het idee dat elke ruimte ook voor een bepaalde taak staat. Via Cerdà’s uitbreidingsplan en het risico op verloedering hebben we een extra onderbouwing bij die redenering gevonden.

Frederick Law Olmsted en inclusiviteit

Het stratenplan van New York in het midden van de 19e eeuw hield op geen enkele manier rekening met het natuurlijk landschap, de bestaande boerderijen, gehuchten en bewoners. Het walste nietsontziend overal overheen. Landschapsarchitect Frederick Law Olmsted werd zowel door een bezoek aan Liverpool, destijds een van de centra van Britse slavenhandel, als door een reis door de slavenstaten van Amerika zich bewust van de rassenproblematiek. Hij begon parken te zien als plaatsen waar de verschillende rassen met elkaar om konden gaan. Grote parken, geen plekken voor nabuurschap, in de wijk of buurt, maar plaatsen voor gezelschap. Daar was iedereen welkom. Zijn uitgangspunt was dat inclusiviteit makkelijker te bewerkstelligen was in een onpersoonlijke ruimte,  en  sneller onder vreemden ontstaat dan onder buren. Functionele ruimtes, fabrieken en winkelstraten zouden volgens hem vriendelijke omgang met elkaar niet stimuleren.

Met de aanleg van Central Park, toen nog buiten de stad, werd in 1858 begonnen. Er is niets natuurlijks aan. Elke heuvel is aangelegd, terwijl bestaande heuvels juist afgegraven werden. Moerassen werden drooggelegd om ergens anders een meer aan te leggen en te vullen met water van elders. De principes van ‘iedereen is welkom’ werden doorgevoerd. Geen hoge hekken, veel ingangen en dag en nacht open.

Olmsteds visie, een ruimte waarin sociale verschillen konden worden overbrugd, bleek kwetsbaar toen het park nog geen 40 jaar na de opening werd geflankeerd door herenhuizen met de bevoorrechten der stad. De bezoekers van het park waren minder divers. De armen en de lagere middenklasse kwam alleen nog bij speciale gelegenheden. Overigens raakte het park ook in verval. In de jaren ‘60, de jaren van het verschil van inzicht tussen Jacobs en Mumford, waren grote investeringen nodig om het park van de teloorgang en de criminaliteit te redden.

Inclusiviteit is een thema in veel organisaties. Bewust en onbewust vindt er veel in- en uitsluiting plaats. Olmsted zet me aan het denken, omdat ik nog niet eerder nagedacht heb over de invloed van de ‘Ville’ (de  gebouwde omgeving)  op in- en uitsluiting.

Baron Haussmann en onbedoelde effecten

Boulevard Haussmann in Parijs kennen we allemaal. Stedenbouwkundige baron Haussman loste de verkeersinfarcten van de stad op door deze te doorsnijden met boulevards. Zijn motivatie was echter anders, hij wilde voorkomen dat de smalle straten in tijden van oproer gebarricadeerd konden worden. Vanaf de brede boulevard dacht hij die straten onder schot te kunnen houden.

De boulevards kregen ook een sociale functie. Er kwamen woningen aan de boulevards voor de nieuwe middenklasse. Binnenplaatsen met winkels en werkplaatsen, op de eerste etage de meer bemiddelde bewoners en hoe hoger, hoe minder welvarend. De cafés op de boulevards werden verzamelplaatsen voor iedereen. Er werden warenhuizen geopend met grote etalages, een unicum in die tijd, waar iedereen zich aan de stillevens in die etalage kon vergapen.

Door Haussmanns ingrepen in de stad kwam mobiliteit centraal te staan in de definitie van ‘een goede stad’. Een notie die leidend werd in de aanleg van steden in de 20e en 21e eeuw: je moet je zo snel mogelijk van de ene plek naar de andere kunnen verplaatsen. Dit gebeurt in ons vak en in  organisaties volgens mij veelvuldig. We willen het een en bereiken iets anders, iets dat niet meer terug te draaien is.

Tot slot

Elke lezer zal waarschijnlijk ook andere lessen uit de drie verhalen trekken en andere associaties met ons vak hebben. Mij helpt het altijd om vanuit een ander domein naar mijn vak te kijken, het maken van verbindingen met andere werelden.

Er is een bepaalde hoeveelheid organisatie- en veranderkundige bagage noodzakelijk om te kunnen leren van andere domeinen. In ons consultingprogramma De Nieuwe Adviseur maken deelnemers veelvuldig gebruik van inspiratie uit andere domeinen om te reflecteren op hun eigen handelen, het vak, om inspiratie aan te ontlenen voor de ontwikkeling van hun propositie en om hun ambacht door te ontwikkelen. Ze verbinden die inspiratie met hun bestaande organisatie- en veranderkundige bagage te komen en daarmee voegen ze iets toe aan het vak.

Interne en externe adviseurs met ervaring kunnen vanaf oktober in De Nieuwe Adviseur hun “koffer” beginnen vullen.

Ontdek ‘De Nieuwe Adviseur’!