Mail ons

Overzicht

Ontwerpen - deel 4: Over plastic kroonluchters

Blogpost 18 Jun 2013

Ik heb Jacob Voorthuis, ontwerpfilosoof van de TU/e uitgenodigd voor een gesprek over ontwerpen met collega Gerhard Smid en mijzelf. Ik ken Jacob Voorthuis niet, maar ik wilde graag dat een ‘vreemdeling’ uit een ander domein ons eens kritisch zou bevragen over hoe wij programma’s ontwerpen en hoe we daarover denken. Jacob Voorthuis heeft in mijn ogen zinnige, mooie maar ook onbegrijpelijke dingen over ontwerpen geschreven.

Op een gegeven moment in ons gesprek vertelt Jacob een anekdote. De week voor ons gesprek was hij in Dresden en bezocht daar met een aantal mensen de prachtige opera. Ze keken met bewondering naar een prachtige kroonluchter, totdat ze hoorden dat de kroonluchter van plastic was en een aantal mensen de kroonluchter ineens niet meer mooi vond. Uit deze anekdote zijn volgens mij twee belangrijke lessen voor ontwerpers te trekken.

Een reeks besluiten

De reactie ‘als het van plastic is, is het niet mooi’ is zo herkenbaar en typeert veel vragen die cruciaal zijn in het ontwerpen. Ontwerpen is het nemen van een reeks besluiten. Blijkbaar was op deze plek een ‘traditionele’ koperen kroonluchter op zijn plek. Zo’n ding is heel zwaar en vraagt dus een veel steviger constructie, die minder mooi wordt of een stuk duurder. De gekozen oplossing is dus een, van een afstand niet van een koper te onderscheiden, klassieke kroonluchter en niet een modern licht geval van peertjes aan een bosje. Die zou op andere plekken geweldig tot zijn recht komen, zoals de zelfde kroonluchter op andere plekken, van plastic of koper, niet op zijn plaats zou zijn. De eerste les is dus: Het gaat bij ontwerpen niet om de afzonderlijke besluiten, maar om de meerwaarde van het geheel.

Een plastic kroonluchter is niet echt, maar wanneer is iets echt? Die vraag ligt meer op Jacobs terrein, dan op het mijne, maar als je over iets kunt praten, dan bestaat het en is het dus wel degelijk echt. De tweede  les zegt iets over de acceptatie van ontwerpen. In hele stabiele omgevingen, in dit geval het gezelschap van geïnteresseerden in klassieke operagebouwen, worden ontwerpen die zeer sterk lijken op dat wat er al was (een koperen kroonluchter) snel geaccepteerd, totdat blijkt dat het ontwerp niet is wat het is. In instabiele omgevingen is meer ruimte voor innovatie en experimenten (een kroonluchter van plastic), maar zijn minder aanknopingspunten voor wat een ontwerp kansrijk maakt.

Lees de eerdere delen in deze reeks

Ik heb Jacob Voorthuis, ontwerpfilosoof van de TU/e uitgenodigd voor een gesprek over ontwerpen met collega Gerhard Smid en mijzelf. Ik ken Jacob Voorthuis niet, maar ik wilde graag dat een ‘vreemdeling’ uit een ander domein ons eens kritisch zou bevragen over hoe wij programma’s ontwerpen en hoe we daarover denken. Jacob Voorthuis heeft in mijn ogen zinnige, mooie maar ook onbegrijpelijke dingen over ontwerpen geschreven.

Op een gegeven moment in ons gesprek vertelt Jacob een anekdote. De week voor ons gesprek was hij in Dresden en bezocht daar met een aantal mensen de prachtige opera. Ze keken met bewondering naar een prachtige kroonluchter, totdat ze hoorden dat de kroonluchter van plastic was en een aantal mensen de kroonluchter ineens niet meer mooi vond. Uit deze anekdote zijn volgens mij twee belangrijke lessen voor ontwerpers te trekken.

Een reeks besluiten

De reactie ‘als het van plastic is, is het niet mooi’ is zo herkenbaar en typeert veel vragen die cruciaal zijn in het ontwerpen. Ontwerpen is het nemen van een reeks besluiten. Blijkbaar was op deze plek een ‘traditionele’ koperen kroonluchter op zijn plek. Zo’n ding is heel zwaar en vraagt dus een veel steviger constructie, die minder mooi wordt of een stuk duurder. De gekozen oplossing is dus een, van een afstand niet van een koper te onderscheiden, klassieke kroonluchter en niet een modern licht geval van peertjes aan een bosje. Die zou op andere plekken geweldig tot zijn recht komen, zoals de zelfde kroonluchter op andere plekken, van plastic of koper, niet op zijn plaats zou zijn. De eerste les is dus: Het gaat bij ontwerpen niet om de afzonderlijke besluiten, maar om de meerwaarde van het geheel.

Een plastic kroonluchter is niet echt, maar wanneer is iets echt? Die vraag ligt meer op Jacobs terrein, dan op het mijne, maar als je over iets kunt praten, dan bestaat het en is het dus wel degelijk echt. De tweede  les zegt iets over de acceptatie van ontwerpen. In hele stabiele omgevingen, in dit geval het gezelschap van geïnteresseerden in klassieke operagebouwen, worden ontwerpen die zeer sterk lijken op dat wat er al was (een koperen kroonluchter) snel geaccepteerd, totdat blijkt dat het ontwerp niet is wat het is. In instabiele omgevingen is meer ruimte voor innovatie en experimenten (een kroonluchter van plastic), maar zijn minder aanknopingspunten voor wat een ontwerp kansrijk maakt.

Lees de eerdere delen in deze reeks