Mail ons

Overzicht

Hoe anders? GGZ-hoogleraar Floortje Scheepers: “De legitimatie die een psychiatrisch label geeft, zorgt ervoor dat het dominante classificatiemodel nog meer kracht krijgt”

Blogpost 3 May 2022

Meer dan ooit lijken we door maatschappelijke uitdagingen bezig te zijn met hoe het anders kan. We zijn op zoek naar het nieuwe, maar hoe laten we het oude los? Niet voor niets is onze pay-off ‘hoe anders’ en vormt Sioo ook een platform om hierover een onderzoekende dialoog te voeren. Het gaat immers om complexe vraagstukken die we enkel systemisch, meervoudig en soms via ecosystemen kunnen veranderen. Neem de hoge cijfers rond mentale ontregeling, de psychiatrie die deze vraag niet meer aankan en de hoge kosten die hiermee gemoeid zijn. We vragen naar de visie van Floortje Scheepers, hoofd innovatie GGZ bij UMC Utrecht, wetenschappelijk directeur bij kenniscentrum phrenos en voorzitter van de kwaliteitsraad: hoe moet het anders in de psychiatrie?

Om te starten: wat kunnen we precies onder mentale ontregeling verstaan?

We moeten kijken naar mentale problemen als complexe fenomenen. Eén van de kenmerken van complexe fenomenen, zeker als het om open complexe systemen gaat die adaptief zijn, is dat er geen eigen lineaire verbanden zitten tussen oorzaak en gevolg. Het zijn heel veel interacties die elkaar over en weer beïnvloeden. En dat betekent dat soms door iets heel kleins een complex systeem in beweging kan komen en ook uit balans kan raken. Via diezelfde interacties moeten we zoeken naar hoe je dat systeem weer in balans kunt brengen en dat kan de oude balans zijn, maar dat kan ook een nieuwe balans zijn.

“Eigenlijk kunnen we wetenschappelijk niet aantonen
dat die stoornissen ook echt bestaan als aparte entiteiten.”

Als we die fenomenologie aanhouden, denken we dus meer in ‘ontregelingen’ dan in ‘stoornissen’, waarbij -volgens de logica van stoornissen- één defect is dat lineair leidt tot een bepaalde ziekte die je moet behandelen. En juist dat denken is de afgelopen decennia een erg dominant model geweest in de hele gezondheidszorg.

En dat model is te simplistisch voor complexe problematiek; hoe merkt u dat?

Dat merk ik onder andere aan het feit dat we na decennialang veel onderzoek doen nog steeds geen biomarkers hebben gevonden voor mentale stoornissen, dat we eigenlijk geen valide bewijs hebben voor de stoornissen zoals we ze geclassificeerd hebben in de DSM, de grenzen die we daarin afgesproken hebben. Eigenlijk kunnen we wetenschappelijk niet aantonen dat die stoornissen ook echt bestaan als aparte entiteiten.

Ik merk het ook aan het feit dat hoe complexer de problematiek wordt, hoe meer classificaties mensen krijgen gedurende hun behandeling In de GGZ, sommige zelfs tien verschillende.

Daarnaast werken onze geprotocolleerde interventies bij een grote groep mensen, met name de mensen die het meest ontregeld zijn, onvoldoende. We zien dat zij langdurige ondersteuning nodig hebben vanuit de GGZ, wat soms meer gaat over ‘care’ dan over ‘cure’.

Ik merk het ook omdat cijfers van bijvoorbeeld het Trimbos laten zien dat 47% van de mensen ergens in het leven een psychische stoornis krijgt. Dan kun je niet meer van een stoornis spreken. Dat is gewoon normale variatie. Er is dus een zekere mentale ontregeling die bij mens-zijn hoort, maar volgens de huidige opvattingen kijken we nog veel te eendimensionaal naar het bijsturen daarvan. We moeten gewoon erkennen dat de grenzen van wat wij normaal en abnormaal noemen, arbitrair zijn, dat we die zelf bedacht hebben.

Het is toch vreemd dat je bijvoorbeeld 7 van de 8 symptomen moet hebben om aan de criteria van ADHD te voldoen. Wat ben je dan als je er 6 hebt; een aansteller? Of je aan voldoende criteria voldoet, bepaalt zo de grens tussen niet-willen en niet-kunnen. Daarmee groeit de behoefte aan een label, immers, in het huidige zorgsysteem heb je in het ene geval recht op (meer) zorg en krijg je erkenning terwijl je in het andere geval zelf maar moet uitzoeken hoe je er mee om gaat.

Dus als niet het aantal mensen met een stoornis groeit, wat groeit er dan wel?

Als je in het huidige systeem een diagnose krijgt, dan krijg je een identiteit waarmee je ruimte krijgt voor je imperfecties als het ware. Het is een legitimatie voor de dingen die moeilijk zijn of niet lukken in het leven. Dat is natuurlijk een heel krachtig mechanisme en daarmee versterken we eigenlijk het classificatiemodel dat we zelf bedacht hebben.

Dus wat vooral lijkt te groeien is het onbehagen dat we voelen bij falen zonder ‘oorzaak’. Het is moeilijk om te accepteren dat sommige dingen lastig zijn en dat je niet in alles succesvol kunt zijn. Het nastreven van perfectie is denk ik ook sterk ingegeven door de kracht van social media. Dat is duidelijk te zien op het uiterlijke niveau, maar evengoed op mentaal niveau; dat we onszelf “blijven uitdagen” op alle fronten.

“Als je in het huidige systeem een diagnose krijgt, dan krijg je een identiteit
waarmee je ruimte krijgt voor je imperfecties als het ware.” 

Het zijn ontwikkelingen van de laatste jaren waarin ook de welvaart is toegenomen en het aantal keuzemogelijkheden om het leven in te richten toenam. Het is steeds moeilijker geworden te accepteren dat ondanks al die keuzemogelijkheden dingen mislukken en lastig zijn. De wereld is niet zwart-wit. Aan de ene kant succesvol door eigen handelen en aan de andere kant kwetsbaar en ‘ziek’. We bevinden ons allemaal in de grijstinten daartussen.

Je kan met een professional praten over problemen, maar we zouden vaker op het schoolplein of op een feestje kunnen delen hoe lastig het is om bijvoorbeeld een kind op te voeden. Hoe leg je de lat wat lager voor jezelf, zonder last te krijgen van ‘FOMO’ of bang te zijn voor het onbegrip van je omgeving? Hoe vraag je hulp of geef je aan dat je er even niets bij moet nemen?

De burnout-cijfers liegen er niet om, maar het gaat vaak niet enkel om werkdruk, maar de druk die we op onszelf leggen, op alle vlakken van ons leven. We moeten de dialoog aangaan over de impact van bijvoorbeeld social media op ons zelf- en wereldbeeld, voordat de GGZ helemaal uit zijn voegen barst. Ik vraag me af of we of op tijd zullen zijn of dat het echt zover moet komen dat twee op de drie mensen het gewoon niet meer trekt.

Als er zoveel onbekende factoren zijn die van invloed zijn op ons mentale welzijn, hoe zouden we dan goede behandelkaders kunnen inrichten?

Ik denk dat een gesprek steeds zou moeten beginnen met het duidelijk maken dat we samen de problemen proberen te begrijpen en dat het niet simpel opgelost gaat worden. Het is jouw herstelproces: wat kan je zelf aanpassen in je leven, overtuigingen of relaties met anderen? Hoe kun je door je naasten geholpen worden en wat kunnen professionals daaraan toevoegen? Met andere woorden: hoe kan ik aansluiten bij jouw eigen netwerk om je een beetje de goede kant op te duwen, zodat je zelf weer dat nieuwe evenwicht gaat vinden waar je mee verder kan.

Volgens mij doen we het op dit moment met ‘hoe kan ik u helpen?‘ echt in de omgekeerde volgorde. Juist omdat het bij mentale problemen ten diepste over interacties gaat, zul je dat ook vanaf het allereerste begin moeten uitleggen en dat heeft twee voordelen. Ten eerste zal er een groep mensen zijn die nu aanklopt bij de GGZ die een groot deel zelf kan oplossen, met behulp van advies en met hun naasten. Samen kijken we met hen waar hun potentieel ligt en aan welke “knoppen” ze kunnen draaien. Dan zie je dat er eigenlijk veel minder GGZ-zorg nodig is.

“We moeten de dialoog aangaan over de impact van bijvoorbeeld social media op ons zelf- en wereldbeeld,
voordat de GGZ helemaal uit zijn voegen barst.”

Het tweede voordeel is dat je niet in die fuik loopt van steeds meer behandeling zetten op het individu en op symptomen, terwijl er andere zaken spelen in dat leven die positief of negatief kunnen bijdragen aan het mentaal welzijn. Het is een mechanisme dat ontstaat als je de problemen te veel vanuit één perspectief aanvliegt.

Wat vraagt die verandering van het ecosysteem rond de psychiatrie?

Dat vraagt van toekomstige psychiaters om van hun expert-voetstuk af te durven stappen, eerst contact aan te gaan van mens tot mens en passend je professionaliteit in te zetten als dat van toegevoegde waarde is.

Daarnaast denk ik dat we af moeten stappen van dat hele ‘blauwe denken’; dat je kunt vastleggen in symptoom-vragenlijstjes of de behandeling succesvol is geweest. We zouden moeten inzetten op persoonlijke doelrealisatie. Vanaf het begin van het traject samen formuleren: wat zijn jouw persoonlijke doelen en wat wil je bereiken met deze behandeling? Dan spreek je af wanneer je samen gaat evalueren en vervolgens kun je bespreken of er doelen bijgesteld zouden moeten worden.

Dat gaat over waardegedreven zorg: wat is voor iemand belangrijk en welke zorg zou kunnen helpen bij het bereiken van die persoonlijke doelen en die waarde voor de patiënt? In de somatiek hoor je wel eens ‘operatie geslaagd, patiënt overleden’; je kunt alles exact doen volgens de richtlijnen, maar dat betekent niet per se dat je daarmee waarde hebt toegevoegd.

Dit is waarom we het ook een ‘wicked problem’ noemen. Hoe verander je nou dat systeem? Wat ons in de greep houdt, is het werken volgens protocollen die gericht zijn op het voorkomen van incidenten en calamiteiten. Gericht op veiligheid en op het afleggen van verantwoordelijkheid.

We moeten naar een systeem waarin je leren en verbeteren weer toelaat en waarbij je zegt: de kennis die we nu hebben over zorg is niet een strikte richtlijn maar biedt een toolbox waar je gebruik van kan maken, waarbij je gedurende de behandelrelatie met de patiënt samen nieuwe inzichten opdoet en daarop flexibel kan inspelen.

“Wat ons in de greep houdt, is het werken volgens protocollen die gericht zijn op
het voorkomen van incidenten en calamiteiten.”

Dat vraagt om voldoende moreel besef bij zorgorganisaties waar ze voor zijn, om dat goed met elkaar te kunnen organiseren. Dat vraagt dus ook ruimte en tijd om dat te doen, maar ook budgettaire zekerheid. Het zorgsysteem is nog altijd erg productiegericht: hoe meer je produceert, hoe meer je krijgt. En enkel dan kunnen die organisaties hun personeel aan het werk houden. Je zou die budgetten ook zeker kunnen stellen en garanderen dat restbudgetten ingezet kunnen worden gezet voor innovatie. En dat vraagt dus ook op macroniveau een dialoog tussen partijen als verzekeraars of gemeentes, zorgorganisaties, professionals, patiënten en burgers die inspraak willen over waar het geld heengaat.

De psychiatrie zoekt al lang naar zijn identiteit: van wat zijn wij nou? Zijn we een medisch specialisme of zijn we sociaal-maatschappelijk ondernemer? Ik denk dat het en-en is en eigenlijk geldt dat voor de hele zorg. Ik zou zorg veel meer ingebed willen zien in de samenleving, gefocust op preventie en gezonde leefstijl, wat mensen zelf kunnen doen. Zorgorganisaties die onderdeel uitmaken van een publieke dialoog over wat gezondheid is en wat we belangrijk vinden met elkaar. Waarvoor willen we betalen en solidair zijn? En waar vinden we dat iemands eigen verantwoordelijkheid ook een rol gaat spelen?

Daar zou de zorg een enorme boost aan kunnen geven, aan dat gesprek In de samenleving. Misschien moeten we de ziekenhuizen afbreken en veel meer In de samenleving gaan zitten met gezondheidscentra of inloopcentra waar je je gezondheid kunt bespreken met professionals. En natuurlijk moeten er dan ook nog ergens gebouwtjes zijn waar ingewikkelde operaties uitgevoerd kunnen worden, maar die zijn dan eerder aanvullend op die basiszorg.

Waar te beginnen; welke concrete uitdagingen zijn er volgens u aan te pakken in de Nederlandse psychiatrie?

De belangrijkste uitdaging ligt erin om het individuele kijken naar problemen en oplossingen om te buigen naar een netwerkbenadering. Dus mensen en de netwerken daarom heen zelf empoweren: daar als GGZ op kunnen aansluiten in plaats van het ‘tijdelijk overnemen’.

De tweede uitdaging ligt erin te formuleren hoe we ons in de samenleving gaan richten op de preventie van mentale ontregeling: wat moeten we anders doen in onze opvoeding en op onze scholen? Wat moeten we anders doen in onze organisaties voor werknemers, om goed in balans te kunnen blijven? Daarmee bedoel ik dat we als individu zelf verantwoordelijk zijn om rust en ruimte te creëren in ons leven, maar werkgevers ook niet kunnen volstaan met het aanbieden van yoga als uitsmijter van hun welzijnsbeleid.

“De belangrijkste uitdaging ligt erin om het individuele kijken naar problemen en oplossingen
om te buigen naar een netwerkbenadering.”

Ten derde is het voor het hele systeem wel handig als we toch een beetje af proberen te stappen van dat hele blauwe, geordende werken. En ruimte creëren voor die complexiteit en creativiteit toelaten om met die complexiteit om te gaan.

Wat zijn voor u, als veranderaar die met deze complexe vraagstukken werkt, de specifieke uitdagingen?

De afgelopen tien jaar ben ik op allerlei niveaus: macro-, meso- en microniveau bezig geweest om veranderingen door te voeren. Je kunt van tevoren niet bedenken wat je allemaal tegen gaat komen maar divers is het zeker. Machiavelli zei lang geleden al dat veranderaars een hoop ellende over zich afroepen. Zorgprofessionals die weerstand voelen omdat ze bang zijn dat ze hun identiteit kwijtraken als medisch professional. Patiënten die hardnekkig vasthouden aan een classificatie omdat ze daar erkenning door krijgen. Ouders die eisen dat hun kind een label krijgt, omdat ze bang zijn dat ze anders hun kind niet maximaal ondersteunen om te kunnen presteren.

Bestuurders die wisselen en die eigenlijk helemaal niet voort willen borduren op het werk van hun voorganger, maar zelf weer iets nieuws willen neerzetten. Wetenschappers die hun carrière wijden aan bepaalde kennis over een bepaalde stoornis en die dat niet willen loslaten. Financiers die geloven in oude, traditionele wetenschap en daardoor nieuwe onderzoek niet accepteren als bewijslast.

Regio’s waar belangen spelen die samenhangen met geld en positie waardoor de ene organisatie niet bereid is een deel van de middelen over te dragen aan de andere organisatie. Er zijn veel obstakels.

Het is ploeteren, maar we moeten niet opgeven, we moeten blij zijn met kleine stapjes, steeds opnieuw die verandercyclus door en weer opnieuw begrijpen: wat speelt hier nu? En dan maar weer iets gaan proberen en langzaam constateren dat er toch iets in beweging komt.

In het UMC Utrecht proberen we een zelflerend systeem op te zetten waar we met patiënten en professionals reflecteren op wat we doen. Een soort cyclisch proces van steeds weer met elkaar kijken: doen we het goede? Waar leidt dat toe en moeten we daarin bijsturen? En dit blijven herhalen.

“Er zijn veel obstakels. Het is ploeteren, maar we moeten niet opgeven,
we moeten blij zijn met kleine stapjes.”

Als dat ons lukt, dan verklein je de administratieve last en maak je tijd vrij om dialoog te voeren, reflectiesessies te starten waarmee de werktevredenheid groeit en er meer rust en ruimte ervaren wordt. Dat zou het ‘nieuwe werken’ kunnen worden.

Verder hoop ik dat we in Nederland sterke regio’s krijgen, dat we als regio’s veel meer gaan samenwerken voor al die burgers die daar wonen. Als iemand bij mij in de spreekkamer komt, gaat het om de mens en zijn netwerk en vind ik de informatie van andere hulpverleners en eerdere trajecten in één dossier. Ik kijk hoe ik daarop kan aansluiten.

Aan die toekomst blijf ik werken, tot ik met pensioen ga of met een burnout thuis komt te zitten, dat kan natuurlijk ook.

Meer over Sioo – over organiseren, veranderen, adviseren en leiderschap

Meer dan ooit lijken we door maatschappelijke uitdagingen bezig te zijn met hoe het anders kan. We zijn op zoek naar het nieuwe, maar hoe laten we het oude los? Niet voor niets is onze pay-off ‘hoe anders’ en vormt Sioo ook een platform om hierover een onderzoekende dialoog te voeren. Het gaat immers om complexe vraagstukken die we enkel systemisch, meervoudig en soms via ecosystemen kunnen veranderen. Neem de hoge cijfers rond mentale ontregeling, de psychiatrie die deze vraag niet meer aankan en de hoge kosten die hiermee gemoeid zijn. We vragen naar de visie van Floortje Scheepers, hoofd innovatie GGZ bij UMC Utrecht, wetenschappelijk directeur bij kenniscentrum phrenos en voorzitter van de kwaliteitsraad: hoe moet het anders in de psychiatrie?

Om te starten: wat kunnen we precies onder mentale ontregeling verstaan?

We moeten kijken naar mentale problemen als complexe fenomenen. Eén van de kenmerken van complexe fenomenen, zeker als het om open complexe systemen gaat die adaptief zijn, is dat er geen eigen lineaire verbanden zitten tussen oorzaak en gevolg. Het zijn heel veel interacties die elkaar over en weer beïnvloeden. En dat betekent dat soms door iets heel kleins een complex systeem in beweging kan komen en ook uit balans kan raken. Via diezelfde interacties moeten we zoeken naar hoe je dat systeem weer in balans kunt brengen en dat kan de oude balans zijn, maar dat kan ook een nieuwe balans zijn.

“Eigenlijk kunnen we wetenschappelijk niet aantonen
dat die stoornissen ook echt bestaan als aparte entiteiten.”

Als we die fenomenologie aanhouden, denken we dus meer in ‘ontregelingen’ dan in ‘stoornissen’, waarbij -volgens de logica van stoornissen- één defect is dat lineair leidt tot een bepaalde ziekte die je moet behandelen. En juist dat denken is de afgelopen decennia een erg dominant model geweest in de hele gezondheidszorg.

En dat model is te simplistisch voor complexe problematiek; hoe merkt u dat?

Dat merk ik onder andere aan het feit dat we na decennialang veel onderzoek doen nog steeds geen biomarkers hebben gevonden voor mentale stoornissen, dat we eigenlijk geen valide bewijs hebben voor de stoornissen zoals we ze geclassificeerd hebben in de DSM, de grenzen die we daarin afgesproken hebben. Eigenlijk kunnen we wetenschappelijk niet aantonen dat die stoornissen ook echt bestaan als aparte entiteiten.

Ik merk het ook aan het feit dat hoe complexer de problematiek wordt, hoe meer classificaties mensen krijgen gedurende hun behandeling In de GGZ, sommige zelfs tien verschillende.

Daarnaast werken onze geprotocolleerde interventies bij een grote groep mensen, met name de mensen die het meest ontregeld zijn, onvoldoende. We zien dat zij langdurige ondersteuning nodig hebben vanuit de GGZ, wat soms meer gaat over ‘care’ dan over ‘cure’.

Ik merk het ook omdat cijfers van bijvoorbeeld het Trimbos laten zien dat 47% van de mensen ergens in het leven een psychische stoornis krijgt. Dan kun je niet meer van een stoornis spreken. Dat is gewoon normale variatie. Er is dus een zekere mentale ontregeling die bij mens-zijn hoort, maar volgens de huidige opvattingen kijken we nog veel te eendimensionaal naar het bijsturen daarvan. We moeten gewoon erkennen dat de grenzen van wat wij normaal en abnormaal noemen, arbitrair zijn, dat we die zelf bedacht hebben.

Het is toch vreemd dat je bijvoorbeeld 7 van de 8 symptomen moet hebben om aan de criteria van ADHD te voldoen. Wat ben je dan als je er 6 hebt; een aansteller? Of je aan voldoende criteria voldoet, bepaalt zo de grens tussen niet-willen en niet-kunnen. Daarmee groeit de behoefte aan een label, immers, in het huidige zorgsysteem heb je in het ene geval recht op (meer) zorg en krijg je erkenning terwijl je in het andere geval zelf maar moet uitzoeken hoe je er mee om gaat.

Dus als niet het aantal mensen met een stoornis groeit, wat groeit er dan wel?

Als je in het huidige systeem een diagnose krijgt, dan krijg je een identiteit waarmee je ruimte krijgt voor je imperfecties als het ware. Het is een legitimatie voor de dingen die moeilijk zijn of niet lukken in het leven. Dat is natuurlijk een heel krachtig mechanisme en daarmee versterken we eigenlijk het classificatiemodel dat we zelf bedacht hebben.

Dus wat vooral lijkt te groeien is het onbehagen dat we voelen bij falen zonder ‘oorzaak’. Het is moeilijk om te accepteren dat sommige dingen lastig zijn en dat je niet in alles succesvol kunt zijn. Het nastreven van perfectie is denk ik ook sterk ingegeven door de kracht van social media. Dat is duidelijk te zien op het uiterlijke niveau, maar evengoed op mentaal niveau; dat we onszelf “blijven uitdagen” op alle fronten.

“Als je in het huidige systeem een diagnose krijgt, dan krijg je een identiteit
waarmee je ruimte krijgt voor je imperfecties als het ware.” 

Het zijn ontwikkelingen van de laatste jaren waarin ook de welvaart is toegenomen en het aantal keuzemogelijkheden om het leven in te richten toenam. Het is steeds moeilijker geworden te accepteren dat ondanks al die keuzemogelijkheden dingen mislukken en lastig zijn. De wereld is niet zwart-wit. Aan de ene kant succesvol door eigen handelen en aan de andere kant kwetsbaar en ‘ziek’. We bevinden ons allemaal in de grijstinten daartussen.

Je kan met een professional praten over problemen, maar we zouden vaker op het schoolplein of op een feestje kunnen delen hoe lastig het is om bijvoorbeeld een kind op te voeden. Hoe leg je de lat wat lager voor jezelf, zonder last te krijgen van ‘FOMO’ of bang te zijn voor het onbegrip van je omgeving? Hoe vraag je hulp of geef je aan dat je er even niets bij moet nemen?

De burnout-cijfers liegen er niet om, maar het gaat vaak niet enkel om werkdruk, maar de druk die we op onszelf leggen, op alle vlakken van ons leven. We moeten de dialoog aangaan over de impact van bijvoorbeeld social media op ons zelf- en wereldbeeld, voordat de GGZ helemaal uit zijn voegen barst. Ik vraag me af of we of op tijd zullen zijn of dat het echt zover moet komen dat twee op de drie mensen het gewoon niet meer trekt.

Als er zoveel onbekende factoren zijn die van invloed zijn op ons mentale welzijn, hoe zouden we dan goede behandelkaders kunnen inrichten?

Ik denk dat een gesprek steeds zou moeten beginnen met het duidelijk maken dat we samen de problemen proberen te begrijpen en dat het niet simpel opgelost gaat worden. Het is jouw herstelproces: wat kan je zelf aanpassen in je leven, overtuigingen of relaties met anderen? Hoe kun je door je naasten geholpen worden en wat kunnen professionals daaraan toevoegen? Met andere woorden: hoe kan ik aansluiten bij jouw eigen netwerk om je een beetje de goede kant op te duwen, zodat je zelf weer dat nieuwe evenwicht gaat vinden waar je mee verder kan.

Volgens mij doen we het op dit moment met ‘hoe kan ik u helpen?‘ echt in de omgekeerde volgorde. Juist omdat het bij mentale problemen ten diepste over interacties gaat, zul je dat ook vanaf het allereerste begin moeten uitleggen en dat heeft twee voordelen. Ten eerste zal er een groep mensen zijn die nu aanklopt bij de GGZ die een groot deel zelf kan oplossen, met behulp van advies en met hun naasten. Samen kijken we met hen waar hun potentieel ligt en aan welke “knoppen” ze kunnen draaien. Dan zie je dat er eigenlijk veel minder GGZ-zorg nodig is.

“We moeten de dialoog aangaan over de impact van bijvoorbeeld social media op ons zelf- en wereldbeeld,
voordat de GGZ helemaal uit zijn voegen barst.”

Het tweede voordeel is dat je niet in die fuik loopt van steeds meer behandeling zetten op het individu en op symptomen, terwijl er andere zaken spelen in dat leven die positief of negatief kunnen bijdragen aan het mentaal welzijn. Het is een mechanisme dat ontstaat als je de problemen te veel vanuit één perspectief aanvliegt.

Wat vraagt die verandering van het ecosysteem rond de psychiatrie?

Dat vraagt van toekomstige psychiaters om van hun expert-voetstuk af te durven stappen, eerst contact aan te gaan van mens tot mens en passend je professionaliteit in te zetten als dat van toegevoegde waarde is.

Daarnaast denk ik dat we af moeten stappen van dat hele ‘blauwe denken’; dat je kunt vastleggen in symptoom-vragenlijstjes of de behandeling succesvol is geweest. We zouden moeten inzetten op persoonlijke doelrealisatie. Vanaf het begin van het traject samen formuleren: wat zijn jouw persoonlijke doelen en wat wil je bereiken met deze behandeling? Dan spreek je af wanneer je samen gaat evalueren en vervolgens kun je bespreken of er doelen bijgesteld zouden moeten worden.

Dat gaat over waardegedreven zorg: wat is voor iemand belangrijk en welke zorg zou kunnen helpen bij het bereiken van die persoonlijke doelen en die waarde voor de patiënt? In de somatiek hoor je wel eens ‘operatie geslaagd, patiënt overleden’; je kunt alles exact doen volgens de richtlijnen, maar dat betekent niet per se dat je daarmee waarde hebt toegevoegd.

Dit is waarom we het ook een ‘wicked problem’ noemen. Hoe verander je nou dat systeem? Wat ons in de greep houdt, is het werken volgens protocollen die gericht zijn op het voorkomen van incidenten en calamiteiten. Gericht op veiligheid en op het afleggen van verantwoordelijkheid.

We moeten naar een systeem waarin je leren en verbeteren weer toelaat en waarbij je zegt: de kennis die we nu hebben over zorg is niet een strikte richtlijn maar biedt een toolbox waar je gebruik van kan maken, waarbij je gedurende de behandelrelatie met de patiënt samen nieuwe inzichten opdoet en daarop flexibel kan inspelen.

“Wat ons in de greep houdt, is het werken volgens protocollen die gericht zijn op
het voorkomen van incidenten en calamiteiten.”

Dat vraagt om voldoende moreel besef bij zorgorganisaties waar ze voor zijn, om dat goed met elkaar te kunnen organiseren. Dat vraagt dus ook ruimte en tijd om dat te doen, maar ook budgettaire zekerheid. Het zorgsysteem is nog altijd erg productiegericht: hoe meer je produceert, hoe meer je krijgt. En enkel dan kunnen die organisaties hun personeel aan het werk houden. Je zou die budgetten ook zeker kunnen stellen en garanderen dat restbudgetten ingezet kunnen worden gezet voor innovatie. En dat vraagt dus ook op macroniveau een dialoog tussen partijen als verzekeraars of gemeentes, zorgorganisaties, professionals, patiënten en burgers die inspraak willen over waar het geld heengaat.

De psychiatrie zoekt al lang naar zijn identiteit: van wat zijn wij nou? Zijn we een medisch specialisme of zijn we sociaal-maatschappelijk ondernemer? Ik denk dat het en-en is en eigenlijk geldt dat voor de hele zorg. Ik zou zorg veel meer ingebed willen zien in de samenleving, gefocust op preventie en gezonde leefstijl, wat mensen zelf kunnen doen. Zorgorganisaties die onderdeel uitmaken van een publieke dialoog over wat gezondheid is en wat we belangrijk vinden met elkaar. Waarvoor willen we betalen en solidair zijn? En waar vinden we dat iemands eigen verantwoordelijkheid ook een rol gaat spelen?

Daar zou de zorg een enorme boost aan kunnen geven, aan dat gesprek In de samenleving. Misschien moeten we de ziekenhuizen afbreken en veel meer In de samenleving gaan zitten met gezondheidscentra of inloopcentra waar je je gezondheid kunt bespreken met professionals. En natuurlijk moeten er dan ook nog ergens gebouwtjes zijn waar ingewikkelde operaties uitgevoerd kunnen worden, maar die zijn dan eerder aanvullend op die basiszorg.

Waar te beginnen; welke concrete uitdagingen zijn er volgens u aan te pakken in de Nederlandse psychiatrie?

De belangrijkste uitdaging ligt erin om het individuele kijken naar problemen en oplossingen om te buigen naar een netwerkbenadering. Dus mensen en de netwerken daarom heen zelf empoweren: daar als GGZ op kunnen aansluiten in plaats van het ‘tijdelijk overnemen’.

De tweede uitdaging ligt erin te formuleren hoe we ons in de samenleving gaan richten op de preventie van mentale ontregeling: wat moeten we anders doen in onze opvoeding en op onze scholen? Wat moeten we anders doen in onze organisaties voor werknemers, om goed in balans te kunnen blijven? Daarmee bedoel ik dat we als individu zelf verantwoordelijk zijn om rust en ruimte te creëren in ons leven, maar werkgevers ook niet kunnen volstaan met het aanbieden van yoga als uitsmijter van hun welzijnsbeleid.

“De belangrijkste uitdaging ligt erin om het individuele kijken naar problemen en oplossingen
om te buigen naar een netwerkbenadering.”

Ten derde is het voor het hele systeem wel handig als we toch een beetje af proberen te stappen van dat hele blauwe, geordende werken. En ruimte creëren voor die complexiteit en creativiteit toelaten om met die complexiteit om te gaan.

Wat zijn voor u, als veranderaar die met deze complexe vraagstukken werkt, de specifieke uitdagingen?

De afgelopen tien jaar ben ik op allerlei niveaus: macro-, meso- en microniveau bezig geweest om veranderingen door te voeren. Je kunt van tevoren niet bedenken wat je allemaal tegen gaat komen maar divers is het zeker. Machiavelli zei lang geleden al dat veranderaars een hoop ellende over zich afroepen. Zorgprofessionals die weerstand voelen omdat ze bang zijn dat ze hun identiteit kwijtraken als medisch professional. Patiënten die hardnekkig vasthouden aan een classificatie omdat ze daar erkenning door krijgen. Ouders die eisen dat hun kind een label krijgt, omdat ze bang zijn dat ze anders hun kind niet maximaal ondersteunen om te kunnen presteren.

Bestuurders die wisselen en die eigenlijk helemaal niet voort willen borduren op het werk van hun voorganger, maar zelf weer iets nieuws willen neerzetten. Wetenschappers die hun carrière wijden aan bepaalde kennis over een bepaalde stoornis en die dat niet willen loslaten. Financiers die geloven in oude, traditionele wetenschap en daardoor nieuwe onderzoek niet accepteren als bewijslast.

Regio’s waar belangen spelen die samenhangen met geld en positie waardoor de ene organisatie niet bereid is een deel van de middelen over te dragen aan de andere organisatie. Er zijn veel obstakels.

Het is ploeteren, maar we moeten niet opgeven, we moeten blij zijn met kleine stapjes, steeds opnieuw die verandercyclus door en weer opnieuw begrijpen: wat speelt hier nu? En dan maar weer iets gaan proberen en langzaam constateren dat er toch iets in beweging komt.

In het UMC Utrecht proberen we een zelflerend systeem op te zetten waar we met patiënten en professionals reflecteren op wat we doen. Een soort cyclisch proces van steeds weer met elkaar kijken: doen we het goede? Waar leidt dat toe en moeten we daarin bijsturen? En dit blijven herhalen.

“Er zijn veel obstakels. Het is ploeteren, maar we moeten niet opgeven,
we moeten blij zijn met kleine stapjes.”

Als dat ons lukt, dan verklein je de administratieve last en maak je tijd vrij om dialoog te voeren, reflectiesessies te starten waarmee de werktevredenheid groeit en er meer rust en ruimte ervaren wordt. Dat zou het ‘nieuwe werken’ kunnen worden.

Verder hoop ik dat we in Nederland sterke regio’s krijgen, dat we als regio’s veel meer gaan samenwerken voor al die burgers die daar wonen. Als iemand bij mij in de spreekkamer komt, gaat het om de mens en zijn netwerk en vind ik de informatie van andere hulpverleners en eerdere trajecten in één dossier. Ik kijk hoe ik daarop kan aansluiten.

Aan die toekomst blijf ik werken, tot ik met pensioen ga of met een burnout thuis komt te zitten, dat kan natuurlijk ook.

Meer over Sioo – over organiseren, veranderen, adviseren en leiderschap