Mail ons

Overzicht

Leiderschap in de top van gemeenten

Blogpost 5 Apr 2012

Bij de start van de nieuwe VGS-Sioo-leergang ‘Veranderen en Organiseren in Gemeenten’ (voor adjunct- en loco-secretarissen) ontstond een discussie die ik niet had verwacht. Gemeentesecretaris Nico Swellengrebel (een van de docenten) kreeg de vraag hoe hij samenwerkt met zijn adjunct-secretaris. Nico, vertelde dat zijn gemeente nog een sectorenmodel kent; in het managementteam is één van de sectordirecteuren loco-secretaris en deze vervangt Nico, als hij afwezig is. Nico werkt niet anders met zijn loco-secretaris, dan met de andere sectordirecteuren. Toen ontstond een discussie die ik niet had verwacht.

Eén van de deelnemers reageerde met: “Onze gemeentesecretaris richt zich op het college van B&W en ik richt me op de organisatie”. Zij is dus adjunct-directeur. Een ander vertelde dat zij alleen werd geacht de gemeentesecretaris te vervangen bij zijn afwezigheid. Een derde zei: “Ik ben adjunct-directeur van een gemeentelijke dienst van 1000 fte. Hoewel ik dus geen adjunct-gemeentesecretaris ben, heeft de gemeentesecretaris mij wel benoemd in de commissie die de organisatieontwikkeling van de gemeente ter hand neemt”. Zo kun je dus een rol krijgen zonder de positie te hebben.

Titel vs. rol vs. positie

Gemeenten met sectoren of diensten kennen een locosecretaris. Hij of zij is één van de sectordirecteuren of diensthoofden en vervangt de gemeentesecretaris bij afwezigheid. Gemeenten met een directiemodel hebben behalve een gemeentesecretaris of algemeen directeur, ook een adjunct-secretaris of adjunct-directeur. In grotere gemeenten kunnen er meer dan twee directeuren zijn. De directieleden geven gezamenlijk leiding aan de afdelingshoofden.

Ik heb me afgevraagd waarom ik die discussie over de organisatiestructuur en de formele positie van de deelnemers aan de leergang niet had verwacht. Mijn verbazing legde mijn vooronderstelling bloot: De dynamiek waar de deelnemers aan de leergang onderdeel van zijn en de rollen die ze pakken, zijn van groter belang voor de bijdrage die ze kunnen leveren aan de gemeentelijke organisatie, het gemeentebestuur en de gemeenschap, dan de structurele positie die ze hebben.

Gemeentelijke organisatiemodellen

Omdat het altijd goed is om aannames te onderzoeken, stel ik graag de volgende vragen aan de orde. Hoe helpt de formele positie van adjunct-secretarissen hen met wat ze met anderen kunnen bereiken? Zijn verschillen daarin te danken aan het verschil in organisatiestructuur? Deze vraag is belangrijk, omdat er veel tijd, aandacht en middelen gaan naar (het praten over) organisatiestructuur en het veranderen ervan. Wat is het belang dat daarmee wordt gediend en in wiens belang is het?

Aardema en Korsten beschrijven in Gemeentelijke organisatiemodellen (2009) de voor- en nadelen van het sectorenmodel van de 90-er jaren en het directiemodel van begin deze eeuw. De auteurs menen dat het directiemodel meer invloed aan de gemeentesecretaris biedt dan het sectorenmodel. In het directiemodel is de gemeentesecretaris de baas van de gemeentelijke organisatie en ‘omringt deze zich met één of meer directeuren’. In het sectorenmodel zijn de sectorhoofden de baas over ‘hun eigen tent’ en is de gemeentesecretaris slechts technisch voorzitter van het managementteam en boodschapper van het College van B&W. Zo bekeken, blijft het de vraag of het directiemodel ook meer invloed biedt aan de 2e man of vrouw dan het sectorenmodel. Immers, de locosecretaris is behalve 2e man of vrouw, tevens baas over zijn of haar sector. Misschien biedt dit juist meer vrijheid van handelen?

Om het belang van een formele positie te onderzoeken, stel ik u graag de vraag in hoeverre u uw positie ervaart als grens of als ruimte? Meer specifiek: In welke situaties ervaart u meer autonomie en in hoeverre komt dit het veranderproces waar u leiding aan geeft, ten goede?

Laat het Sandra weten en lees haar vorige blog: De herwaardering van de roulerende koffiemok! Meer weten over Veranderen en Organiseren in Gemeenten?

LEES MEER!

Bij de start van de nieuwe VGS-Sioo-leergang ‘Veranderen en Organiseren in Gemeenten’ (voor adjunct- en loco-secretarissen) ontstond een discussie die ik niet had verwacht. Gemeentesecretaris Nico Swellengrebel (een van de docenten) kreeg de vraag hoe hij samenwerkt met zijn adjunct-secretaris. Nico, vertelde dat zijn gemeente nog een sectorenmodel kent; in het managementteam is één van de sectordirecteuren loco-secretaris en deze vervangt Nico, als hij afwezig is. Nico werkt niet anders met zijn loco-secretaris, dan met de andere sectordirecteuren. Toen ontstond een discussie die ik niet had verwacht.

Eén van de deelnemers reageerde met: “Onze gemeentesecretaris richt zich op het college van B&W en ik richt me op de organisatie”. Zij is dus adjunct-directeur. Een ander vertelde dat zij alleen werd geacht de gemeentesecretaris te vervangen bij zijn afwezigheid. Een derde zei: “Ik ben adjunct-directeur van een gemeentelijke dienst van 1000 fte. Hoewel ik dus geen adjunct-gemeentesecretaris ben, heeft de gemeentesecretaris mij wel benoemd in de commissie die de organisatieontwikkeling van de gemeente ter hand neemt”. Zo kun je dus een rol krijgen zonder de positie te hebben.

Titel vs. rol vs. positie

Gemeenten met sectoren of diensten kennen een locosecretaris. Hij of zij is één van de sectordirecteuren of diensthoofden en vervangt de gemeentesecretaris bij afwezigheid. Gemeenten met een directiemodel hebben behalve een gemeentesecretaris of algemeen directeur, ook een adjunct-secretaris of adjunct-directeur. In grotere gemeenten kunnen er meer dan twee directeuren zijn. De directieleden geven gezamenlijk leiding aan de afdelingshoofden.

Ik heb me afgevraagd waarom ik die discussie over de organisatiestructuur en de formele positie van de deelnemers aan de leergang niet had verwacht. Mijn verbazing legde mijn vooronderstelling bloot: De dynamiek waar de deelnemers aan de leergang onderdeel van zijn en de rollen die ze pakken, zijn van groter belang voor de bijdrage die ze kunnen leveren aan de gemeentelijke organisatie, het gemeentebestuur en de gemeenschap, dan de structurele positie die ze hebben.

Gemeentelijke organisatiemodellen

Omdat het altijd goed is om aannames te onderzoeken, stel ik graag de volgende vragen aan de orde. Hoe helpt de formele positie van adjunct-secretarissen hen met wat ze met anderen kunnen bereiken? Zijn verschillen daarin te danken aan het verschil in organisatiestructuur? Deze vraag is belangrijk, omdat er veel tijd, aandacht en middelen gaan naar (het praten over) organisatiestructuur en het veranderen ervan. Wat is het belang dat daarmee wordt gediend en in wiens belang is het?

Aardema en Korsten beschrijven in Gemeentelijke organisatiemodellen (2009) de voor- en nadelen van het sectorenmodel van de 90-er jaren en het directiemodel van begin deze eeuw. De auteurs menen dat het directiemodel meer invloed aan de gemeentesecretaris biedt dan het sectorenmodel. In het directiemodel is de gemeentesecretaris de baas van de gemeentelijke organisatie en ‘omringt deze zich met één of meer directeuren’. In het sectorenmodel zijn de sectorhoofden de baas over ‘hun eigen tent’ en is de gemeentesecretaris slechts technisch voorzitter van het managementteam en boodschapper van het College van B&W. Zo bekeken, blijft het de vraag of het directiemodel ook meer invloed biedt aan de 2e man of vrouw dan het sectorenmodel. Immers, de locosecretaris is behalve 2e man of vrouw, tevens baas over zijn of haar sector. Misschien biedt dit juist meer vrijheid van handelen?

Om het belang van een formele positie te onderzoeken, stel ik u graag de vraag in hoeverre u uw positie ervaart als grens of als ruimte? Meer specifiek: In welke situaties ervaart u meer autonomie en in hoeverre komt dit het veranderproces waar u leiding aan geeft, ten goede?

Laat het Sandra weten en lees haar vorige blog: De herwaardering van de roulerende koffiemok! Meer weten over Veranderen en Organiseren in Gemeenten?

LEES MEER!