Mail ons

Overzicht

Kettingbrief 'ongemak' - deel 1

Blogpost 14 Sep 2020

Een aantal Sioo-collega’s en betrokken deskundigen uit ons netwerk voerden onlangs een gesprek over het thema ‘ongemak’ ter voorbereiding op de Alumnidag over dit thema op 24 september aanstaande. Het gesprek resulteerde in een kettingbrief over het onderwerp die wij de komende weken als reeks plaatsen. In het eerste blog verricht Sioo-programmamanager Wilfred Verweij de aftrap met een bespiegeling over wat zelf ongemak ervaren eigenlijk is.

Zutphen, 17 juli 2020

Beste Peter,

Ondanks het feit dat videobellen mij de laatste maanden steeds meer energie is gaan kosten, heb ik het Zoomgesprek van afgelopen vrijdag met jou, Froukje, Jesse en Durk Piet over ‘ongemak’ ervaren als balsem voor mijn ziel: wat heerlijk om in een uurtje met elkaar een gedachtenweb te spinnen rondom dit intrigerende begrip!

We spraken af dat we, in aanloop naar de Sioo alumnidag op 24 september, door middel van een kettingbrief onze ideeën rondom ‘ongemak’ en onze visie op wat ‘ongemak’ betekent in de context van ons werk zullen delen.

Ik trap af. Met twee dingen.

Ten eerste: jezelf in het spel brengen, te midden van anderen, betekent ongemak ervaren. Wat bedoel ik hiermee? Jij vertelde afgelopen vrijdag, als ik het mij goed herinner, dat een belangrijk aspect van jouw werkwijze is dat je mensen (‘deelnemers’) uitnodigt – en naar ik aanneem ook verleidt en min of meer liefdevol dwingt – om ‘zichzelf op het spel te zetten’. Ik vermoed dat we op hetzelfde doelen, namelijk op de volgens mij beslissende en radicale, sprong van ‘in jezelf en op jezelf zijn’ naar ‘in interactie en in de dynamiek met anderen handelen.’ Deze sprong markeert het verschil tussen ‘geen risico lopen en op je gemak zijn’ en ‘ongemak moeten hanteren in het besef van de onvoorspelbaarheid en onomkeerbaarheid van de interactie waar je deel van bent’. (Ik refereer hier aan het werk van Hannah Arendt, die het onderscheid maakte tussen labor, work en action. In termen van die theorie – ik heb die uitvoerig beschreven en ermee gewerkt in Ordebewakers en ordeverstoorders – gaat het hier om de sprong van work (de makende mens) en action (de handelende mens te midden van medemensen). De laatste moet onvermijdelijk in de interactie en de dynamiek dealen met de broosheid, onvoorspelbaarheid, grenzeloosheid en onomkeerbaarheid van ons samenleven).

Beeld: de eerste zwemles. Het kleine jongetje dat op de rand van het zwembad staat en niet durft te springen, omdat hij aanvoelt dat hij zich dan zou overleveren aan iets dat hij niet kent. Dat hij dan zou worden ondergedompeld in een proces dat groter is dan hijzelf en dat hij niet kan beheersen. Hij weet dat hij moet springen, het wordt van hem verlangd en in zekere zin verlangt hij er zelf ook naar, maar zijn lijf verzet zich…

(De rol van de (leer)begeleider: degene die het jongetje bij de hand neemt en voor hem een trapje over de rand hangt: precies wat voor dít jongetje nodig is om het zwembad in te gaan.)   

Nog een beeld: de ‘bestuursvleugel’ van een ziekenhuis. Ik ben in gesprek met twee leden van de Raad van Bestuur over het ‘leiderschapsprogramma’ dat we uitvoeren voor allerlei managers in het ziekenhuis. Daar praten we over, ieder zegt verstandige dingen over het ziekenhuis, over de managers, over het ontwerp van het programma. De almaar groeiende stapel verstandige analyses en opvattingen komt als een muur tussen ons in te staan, vult de ruimte tussen ons in, naarmate we langer zo doorgaan voel ik me steeds onmachtiger worden om mezelf te onthullen, om de bestuurders aan te raken, om samen te spelen en met elkaar te dansen…

Als ik spreek over ‘met en op jezelf zijn’ bedoel ik dus niet zozeer een fysiek solitair zijn (zoals wanneer je letterlijk ‘op het gemak zit‘), maar vooral een jezelf koesteren in de beslotenheid van je eigen mentale wereld, geestelijk afgesloten zijn van anderen, zodat je niet door anderen (aan)geraakt kan worden en er vrede mee hebt dat je anderen niet nabijkomt. Het is de klassieke mentale houding en positie van de dokter of adviseur of interim manager: wel analyses en opvattingen (‘diagnoses’) over ‘het klantsysteem’ hebben, zo nodig interventies uitvoeren, maar er geen onderdeel van zijn. Niet zelf kwetsbaar worden, geen verbinding aangaan, wel zo ‘objectief mogelijk’ oordelen. Ik denk ook aan de docent die uitlegt “wat wetenschappelijk onderzoek ons heeft geleerd over…”, en aan de cursist die rustig afwacht of er iets van zijn gading voorbijkomt en ondertussen de docent beoordeelt: een collusie van gemakkelijke posities.

Dus: je met elkaar in één ruimte bevinden betekent niet automatisch met elkaar in interactie zijn. We kunnen ook een verzameling mentale eilanden vormen in één ruimte (die ik dan al snel als ‘leegte’ ervaar).

Veel opleidingen zijn bijvoorbeeld gebaseerd op stilzwijgend overeengekomen, en creatief verhulde, non-interactie – zodat we op doelmatige wijze de leerdoelen kunnen realiseren. Ik heb daar in algemene zin niet onmiddellijk een oordeel over. Wel vind ik dat onze Sioo programma’s altijd een oprechte en professionele poging moeten zijn om met elkaar te ‘spelen’ (play, of in de woorden van James P. Carse: een infinite game spelen, dus niet met het oogmerk om te winnen, maar met het oogmerk om het spel te continueren), met elkaar te dansen, het met elkaar aan te gaan en jezelf op het spel te zetten. En ik heb met vallen en opstaan geleerd dat dat alleen kan wanneer je jezelf als docent/begeleider ook op het spel zet, als je ook zelf in het zwembad springt zogezegd.

Anderzijds: ook als je fysiek gezien alleen bent, dan kun je een ongemakkelijke interne dialoog tussen je verschillende (deel)entiteiten, tussen je verschillende ‘zelven’, voeren. Om dat echt op het scherpst van de snede te doen, dat vraagt wel heel veel training en discipline. De meesten van ons maken het zichzelf toch graag gemakkelijk, zeker in deze ‘Twittertijd’, waarin we elkaar vooral permanent uitnodigen om overal iets (enkelvoudigs en eenvoudigs) van te vinden.

Ongemakkelijk is: echt luisteren, zonder te oordelen, naar een stem – van een ander in jezelf of buiten jezelf – en naar een verhaal dat je niet onmiddellijk kunt inpassen in jouw dominante verhaal.

En ongemakkelijk is ook: door anderen bekeken, beluisterd, beoordeeld te worden.

En ongemakkelijk is ook: je aan anderen moeten aanpassen, hen niet jouw wil (jouw mening, jouw ritme, jouw snelheid enzovoort) kunnen opleggen.

En ongemakkelijk is ook: je er bewust van zijn dat jij met jouw gedrag bepaalde anderen beïnvloedt, inperkt of juist voor hen mogelijkheden opent.

Allemaal sociaal ongemak.

Sociaal ongemak, waarvan wij (Sioo) zeggen: ga het niet uit de weg, maar ga het aan, met elkaar, in de dynamiek. Experimenteer met elkaar en leer, in je rol van manager, bestuurder of adviseur) gaandeweg om te werken met het ongemak!

Peter, jij sprak vorige week over ”integriteit” en over “integratie van al je zelven”. Kun je ons nog eens wat uitgebreider vertellen wat je daarmee bedoelt en waarom het zo belangrijk is? Want het is volgens mij een belangrijke notie, zeker ook voor ‘leiderschap’. Toen ik een jaar of twintig, dertig was gebruikte ik dat woord “integriteit” soms als beschrijving van mijn gemoedstoestand. Als ik me krachtig, in balans en in verbinding met mijn omgeving voelde. Ik had en heb er geen goed synoniem voor. Misschien kun je het gevoel beschrijven met een term die Otto Scharmer muntte: generative dialog, een constructieve, zich gaandeweg ontvouwende, speelse en dus ook mooie interactie tussen alle verschillende stemmen, een toestand – misschien beter: een proces – waarin je verschillen en spanningen kunt verduren, kunt dragen, en als het ware met elkaar kunt laten ‘dansen’. Waar het dan, lijkt mij, vooral om gaat, is dat zich in en door de interactie, in en door de beweging, iets kan ontwikkelen dat nieuw is in de zin dat het niet vooraf bedacht of ontworpen had kunnen worden. Daarom kunnen we in de ECM niet met vooraf geformuleerde leerdoelen werken: het speelveld moet zo open en grenzeloos zijn als wij met elkaar aankunnen. Als je als deelnemer gewend bent om dagelijks te proberen in control te zijn, om je professionele leven te framen in termen van doelen en middelen en om houvast te zoeken bij modellen en docenten die je laten zien ‘hoe het echt zit’, dan blijken deze vrijheid en openheid vaak een groot ongemak, en tegelijk – leve de ambivalentie! – een onvermoede bevrijding!   

Ten tweede: naarmate je jezelf meer toestaat om de pijn en het gemis van anderen te voelen en om je te engageren met de wereld, krijgt je ongemak meer een ethische dimensie.

Dit is wat met name Levinas ons voorhoudt: als je je ervoor openstelt, als je je laat aanspreken door het gelaat van de Ander, dan is de pijn en het verlangen e.d. van de Ander te voelen. Je kunt als het ware (metafysisch, zegt Levinas) op de plaats van de Ander zijn. En dan moet je je daartoe verhouden, dan moet je de Ander antwoorden, dan kun je haar pijn (of haar gemis of haar verlangen of …) niet meer negeren.

Dit creëert een ethisch ongemak, bovenop het sociale ongemak, want je kunt niet altijd voldoende aandacht geven aan lijden en verlangen van die concrete Ander, soms heb je het gevoel dat je met lege handen staat, of je kunt wel iets maar je wilt iets anders – en trouwens: wat is voldoende aandacht (of troost of daadwerkelijke hulp of ondersteuning of wat er dan ook nodig is) in het licht van hoe groot een verlangen kan zijn, hoe oneindig diep een gemis kan zijn, hoe schrijnend een verwonding kan zijn?

Het zijn grote woorden, maar wel belangrijk, lijkt mij, want leiderschap begint toch bij de vraag: waartoe en voor wie? Wat heeft de wereld, wat heeft de Ander nodig, en hoe antwoord ik, hoe antwoorden wij daarop? Empathie, compassie, liefde. En daarna komen natuurlijk allerlei ander deugden en handigheden, wijsheid en matigheid in de eerste plaats.

De paradox lijkt te zijn dat naarmate je meer macht hebt en daardoor meer op mentale en emotionele afstand komt te staan van de mensen en de wereld om je heen, er ook juist meer nood is om jezelf (je leiderschap) te herbronnen door als het ware op de plaats van de Ander te zijn.

We leven in een tijd, waarin we bijna geen woorden meer beschikbaar hebben om onszelf te decentraliseren, om onszelf buiten het centrum van de wereld te kunnen beschouwen, om de Ander tot uitgangspunt van ons handelen te maken, om de Ander níet te beschouwen als een instrument in het kader van onze eigen strevingen en behoeften. Wie leest het werk van Augustinus? Wie heeft een rijk vocabulaire rond het Goede, het Ware en het Schone?

Onder meer daarom ben ik zo geïnteresseerd in ‘jouw’ dansen met mensen in opleidingen, omdat ze dan niet anders kunnen dan luisteren naar de ander, zichzelf ondergeschikt maken aan de relatie. Immers: met Kants ethisch imperatief in het hoofd (Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet aan; met andere woorden: ik ben de oordelende instantie) wordt het nooit samen dansen; daarvoor heb je Levinas’ imperatief nodig: Wat zij niet wil dat haar geschiedt, doe dat haar niet aan!

Ik ben ontzettend benieuwd naar jouw ervaringen hiermee en reflecties hierover!

Tenslotte – want deze brief dreigt nu echt te lang te worden – nog één opmerking over deze ethische dimensie. Mijn voortdurende uitdaging is dat ik en wij (Sioo) ontsnappen aan het in ‘onze wereld’ dominante rationele, utilitaristische, instrumentele discours, dat het leven en de ziel uit mensen en organisaties zuigt.

Een voorbeeld – en daarmee kom ik ook weer terug op jouw “putting yourself on the line”: Toen ik bijna 8 jaar geleden bij Sioo binnenkwam zat de club er na het droevige vertrek van Jaap van Muyen nogal gehavend bij, en onder leiding van Gerhard Smid moesten we ons bezinnen op hoe we verder zouden gaan, ook strategisch gezien. Ik heb toen geprobeerd om, in situaties waarin we niet zouden weten of we iets wel of niet moesten doen, een methode te introduceren die ons ertoe zou verplichten om de ongemakkelijke vraag naar ons engagement niet uit de weg te gaan. De methode komt er in het kort op neer dat je je in eerste instantie afvraagt: Wat staat hier op het spel? En waar staat echt iets op het spel? En als je dan scherper zicht hebt op waar maatschappelijk en menselijk echt iets op het spel staat (bijvoorbeeld in het onderwijs vanwege het mogelijk vergroten van kansen voor kinderen uit achtergestelde gezinnen), dat je dan uitzoekt hoe het daar systemisch ‘werkt’, en de vraag beantwoordt: willen wij onszelf aan deze goede zaak verbinden, onszelf in het spel brengen en onszelf ook daadwerkelijk op het spel zetten?

Deze vernieuwing is (nog) niet gelukt. En dat is spijtig, vind ik, ook – en dat is dan weer heel instrumenteel – in verband met onze positionering en profilering.

In de ECM lukt het overigens wel vrij goed om het ethische ongemak onderdeel te laten zijn van wat we met elkaar doen en zijn. Daarbij helpt vooral de confrontatie van de vreemde werelden van Anatolië of (afgelopen jaren) Marokko of (komend jaar) de Bijlmermeer.

Tot zover. Ik geef het stokje aan je over. Moedig zijwaarts!

Hartelijke groet,

Wilfred

Lees hier deel 2.

Een aantal Sioo-collega’s en betrokken deskundigen uit ons netwerk voerden onlangs een gesprek over het thema ‘ongemak’ ter voorbereiding op de Alumnidag over dit thema op 24 september aanstaande. Het gesprek resulteerde in een kettingbrief over het onderwerp die wij de komende weken als reeks plaatsen. In het eerste blog verricht Sioo-programmamanager Wilfred Verweij de aftrap met een bespiegeling over wat zelf ongemak ervaren eigenlijk is.

Zutphen, 17 juli 2020

Beste Peter,

Ondanks het feit dat videobellen mij de laatste maanden steeds meer energie is gaan kosten, heb ik het Zoomgesprek van afgelopen vrijdag met jou, Froukje, Jesse en Durk Piet over ‘ongemak’ ervaren als balsem voor mijn ziel: wat heerlijk om in een uurtje met elkaar een gedachtenweb te spinnen rondom dit intrigerende begrip!

We spraken af dat we, in aanloop naar de Sioo alumnidag op 24 september, door middel van een kettingbrief onze ideeën rondom ‘ongemak’ en onze visie op wat ‘ongemak’ betekent in de context van ons werk zullen delen.

Ik trap af. Met twee dingen.

Ten eerste: jezelf in het spel brengen, te midden van anderen, betekent ongemak ervaren. Wat bedoel ik hiermee? Jij vertelde afgelopen vrijdag, als ik het mij goed herinner, dat een belangrijk aspect van jouw werkwijze is dat je mensen (‘deelnemers’) uitnodigt – en naar ik aanneem ook verleidt en min of meer liefdevol dwingt – om ‘zichzelf op het spel te zetten’. Ik vermoed dat we op hetzelfde doelen, namelijk op de volgens mij beslissende en radicale, sprong van ‘in jezelf en op jezelf zijn’ naar ‘in interactie en in de dynamiek met anderen handelen.’ Deze sprong markeert het verschil tussen ‘geen risico lopen en op je gemak zijn’ en ‘ongemak moeten hanteren in het besef van de onvoorspelbaarheid en onomkeerbaarheid van de interactie waar je deel van bent’. (Ik refereer hier aan het werk van Hannah Arendt, die het onderscheid maakte tussen labor, work en action. In termen van die theorie – ik heb die uitvoerig beschreven en ermee gewerkt in Ordebewakers en ordeverstoorders – gaat het hier om de sprong van work (de makende mens) en action (de handelende mens te midden van medemensen). De laatste moet onvermijdelijk in de interactie en de dynamiek dealen met de broosheid, onvoorspelbaarheid, grenzeloosheid en onomkeerbaarheid van ons samenleven).

Beeld: de eerste zwemles. Het kleine jongetje dat op de rand van het zwembad staat en niet durft te springen, omdat hij aanvoelt dat hij zich dan zou overleveren aan iets dat hij niet kent. Dat hij dan zou worden ondergedompeld in een proces dat groter is dan hijzelf en dat hij niet kan beheersen. Hij weet dat hij moet springen, het wordt van hem verlangd en in zekere zin verlangt hij er zelf ook naar, maar zijn lijf verzet zich…

(De rol van de (leer)begeleider: degene die het jongetje bij de hand neemt en voor hem een trapje over de rand hangt: precies wat voor dít jongetje nodig is om het zwembad in te gaan.)   

Nog een beeld: de ‘bestuursvleugel’ van een ziekenhuis. Ik ben in gesprek met twee leden van de Raad van Bestuur over het ‘leiderschapsprogramma’ dat we uitvoeren voor allerlei managers in het ziekenhuis. Daar praten we over, ieder zegt verstandige dingen over het ziekenhuis, over de managers, over het ontwerp van het programma. De almaar groeiende stapel verstandige analyses en opvattingen komt als een muur tussen ons in te staan, vult de ruimte tussen ons in, naarmate we langer zo doorgaan voel ik me steeds onmachtiger worden om mezelf te onthullen, om de bestuurders aan te raken, om samen te spelen en met elkaar te dansen…

Als ik spreek over ‘met en op jezelf zijn’ bedoel ik dus niet zozeer een fysiek solitair zijn (zoals wanneer je letterlijk ‘op het gemak zit‘), maar vooral een jezelf koesteren in de beslotenheid van je eigen mentale wereld, geestelijk afgesloten zijn van anderen, zodat je niet door anderen (aan)geraakt kan worden en er vrede mee hebt dat je anderen niet nabijkomt. Het is de klassieke mentale houding en positie van de dokter of adviseur of interim manager: wel analyses en opvattingen (‘diagnoses’) over ‘het klantsysteem’ hebben, zo nodig interventies uitvoeren, maar er geen onderdeel van zijn. Niet zelf kwetsbaar worden, geen verbinding aangaan, wel zo ‘objectief mogelijk’ oordelen. Ik denk ook aan de docent die uitlegt “wat wetenschappelijk onderzoek ons heeft geleerd over…”, en aan de cursist die rustig afwacht of er iets van zijn gading voorbijkomt en ondertussen de docent beoordeelt: een collusie van gemakkelijke posities.

Dus: je met elkaar in één ruimte bevinden betekent niet automatisch met elkaar in interactie zijn. We kunnen ook een verzameling mentale eilanden vormen in één ruimte (die ik dan al snel als ‘leegte’ ervaar).

Veel opleidingen zijn bijvoorbeeld gebaseerd op stilzwijgend overeengekomen, en creatief verhulde, non-interactie – zodat we op doelmatige wijze de leerdoelen kunnen realiseren. Ik heb daar in algemene zin niet onmiddellijk een oordeel over. Wel vind ik dat onze Sioo programma’s altijd een oprechte en professionele poging moeten zijn om met elkaar te ‘spelen’ (play, of in de woorden van James P. Carse: een infinite game spelen, dus niet met het oogmerk om te winnen, maar met het oogmerk om het spel te continueren), met elkaar te dansen, het met elkaar aan te gaan en jezelf op het spel te zetten. En ik heb met vallen en opstaan geleerd dat dat alleen kan wanneer je jezelf als docent/begeleider ook op het spel zet, als je ook zelf in het zwembad springt zogezegd.

Anderzijds: ook als je fysiek gezien alleen bent, dan kun je een ongemakkelijke interne dialoog tussen je verschillende (deel)entiteiten, tussen je verschillende ‘zelven’, voeren. Om dat echt op het scherpst van de snede te doen, dat vraagt wel heel veel training en discipline. De meesten van ons maken het zichzelf toch graag gemakkelijk, zeker in deze ‘Twittertijd’, waarin we elkaar vooral permanent uitnodigen om overal iets (enkelvoudigs en eenvoudigs) van te vinden.

Ongemakkelijk is: echt luisteren, zonder te oordelen, naar een stem – van een ander in jezelf of buiten jezelf – en naar een verhaal dat je niet onmiddellijk kunt inpassen in jouw dominante verhaal.

En ongemakkelijk is ook: door anderen bekeken, beluisterd, beoordeeld te worden.

En ongemakkelijk is ook: je aan anderen moeten aanpassen, hen niet jouw wil (jouw mening, jouw ritme, jouw snelheid enzovoort) kunnen opleggen.

En ongemakkelijk is ook: je er bewust van zijn dat jij met jouw gedrag bepaalde anderen beïnvloedt, inperkt of juist voor hen mogelijkheden opent.

Allemaal sociaal ongemak.

Sociaal ongemak, waarvan wij (Sioo) zeggen: ga het niet uit de weg, maar ga het aan, met elkaar, in de dynamiek. Experimenteer met elkaar en leer, in je rol van manager, bestuurder of adviseur) gaandeweg om te werken met het ongemak!

Peter, jij sprak vorige week over ”integriteit” en over “integratie van al je zelven”. Kun je ons nog eens wat uitgebreider vertellen wat je daarmee bedoelt en waarom het zo belangrijk is? Want het is volgens mij een belangrijke notie, zeker ook voor ‘leiderschap’. Toen ik een jaar of twintig, dertig was gebruikte ik dat woord “integriteit” soms als beschrijving van mijn gemoedstoestand. Als ik me krachtig, in balans en in verbinding met mijn omgeving voelde. Ik had en heb er geen goed synoniem voor. Misschien kun je het gevoel beschrijven met een term die Otto Scharmer muntte: generative dialog, een constructieve, zich gaandeweg ontvouwende, speelse en dus ook mooie interactie tussen alle verschillende stemmen, een toestand – misschien beter: een proces – waarin je verschillen en spanningen kunt verduren, kunt dragen, en als het ware met elkaar kunt laten ‘dansen’. Waar het dan, lijkt mij, vooral om gaat, is dat zich in en door de interactie, in en door de beweging, iets kan ontwikkelen dat nieuw is in de zin dat het niet vooraf bedacht of ontworpen had kunnen worden. Daarom kunnen we in de ECM niet met vooraf geformuleerde leerdoelen werken: het speelveld moet zo open en grenzeloos zijn als wij met elkaar aankunnen. Als je als deelnemer gewend bent om dagelijks te proberen in control te zijn, om je professionele leven te framen in termen van doelen en middelen en om houvast te zoeken bij modellen en docenten die je laten zien ‘hoe het echt zit’, dan blijken deze vrijheid en openheid vaak een groot ongemak, en tegelijk – leve de ambivalentie! – een onvermoede bevrijding!   

Ten tweede: naarmate je jezelf meer toestaat om de pijn en het gemis van anderen te voelen en om je te engageren met de wereld, krijgt je ongemak meer een ethische dimensie.

Dit is wat met name Levinas ons voorhoudt: als je je ervoor openstelt, als je je laat aanspreken door het gelaat van de Ander, dan is de pijn en het verlangen e.d. van de Ander te voelen. Je kunt als het ware (metafysisch, zegt Levinas) op de plaats van de Ander zijn. En dan moet je je daartoe verhouden, dan moet je de Ander antwoorden, dan kun je haar pijn (of haar gemis of haar verlangen of …) niet meer negeren.

Dit creëert een ethisch ongemak, bovenop het sociale ongemak, want je kunt niet altijd voldoende aandacht geven aan lijden en verlangen van die concrete Ander, soms heb je het gevoel dat je met lege handen staat, of je kunt wel iets maar je wilt iets anders – en trouwens: wat is voldoende aandacht (of troost of daadwerkelijke hulp of ondersteuning of wat er dan ook nodig is) in het licht van hoe groot een verlangen kan zijn, hoe oneindig diep een gemis kan zijn, hoe schrijnend een verwonding kan zijn?

Het zijn grote woorden, maar wel belangrijk, lijkt mij, want leiderschap begint toch bij de vraag: waartoe en voor wie? Wat heeft de wereld, wat heeft de Ander nodig, en hoe antwoord ik, hoe antwoorden wij daarop? Empathie, compassie, liefde. En daarna komen natuurlijk allerlei ander deugden en handigheden, wijsheid en matigheid in de eerste plaats.

De paradox lijkt te zijn dat naarmate je meer macht hebt en daardoor meer op mentale en emotionele afstand komt te staan van de mensen en de wereld om je heen, er ook juist meer nood is om jezelf (je leiderschap) te herbronnen door als het ware op de plaats van de Ander te zijn.

We leven in een tijd, waarin we bijna geen woorden meer beschikbaar hebben om onszelf te decentraliseren, om onszelf buiten het centrum van de wereld te kunnen beschouwen, om de Ander tot uitgangspunt van ons handelen te maken, om de Ander níet te beschouwen als een instrument in het kader van onze eigen strevingen en behoeften. Wie leest het werk van Augustinus? Wie heeft een rijk vocabulaire rond het Goede, het Ware en het Schone?

Onder meer daarom ben ik zo geïnteresseerd in ‘jouw’ dansen met mensen in opleidingen, omdat ze dan niet anders kunnen dan luisteren naar de ander, zichzelf ondergeschikt maken aan de relatie. Immers: met Kants ethisch imperatief in het hoofd (Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet aan; met andere woorden: ik ben de oordelende instantie) wordt het nooit samen dansen; daarvoor heb je Levinas’ imperatief nodig: Wat zij niet wil dat haar geschiedt, doe dat haar niet aan!

Ik ben ontzettend benieuwd naar jouw ervaringen hiermee en reflecties hierover!

Tenslotte – want deze brief dreigt nu echt te lang te worden – nog één opmerking over deze ethische dimensie. Mijn voortdurende uitdaging is dat ik en wij (Sioo) ontsnappen aan het in ‘onze wereld’ dominante rationele, utilitaristische, instrumentele discours, dat het leven en de ziel uit mensen en organisaties zuigt.

Een voorbeeld – en daarmee kom ik ook weer terug op jouw “putting yourself on the line”: Toen ik bijna 8 jaar geleden bij Sioo binnenkwam zat de club er na het droevige vertrek van Jaap van Muyen nogal gehavend bij, en onder leiding van Gerhard Smid moesten we ons bezinnen op hoe we verder zouden gaan, ook strategisch gezien. Ik heb toen geprobeerd om, in situaties waarin we niet zouden weten of we iets wel of niet moesten doen, een methode te introduceren die ons ertoe zou verplichten om de ongemakkelijke vraag naar ons engagement niet uit de weg te gaan. De methode komt er in het kort op neer dat je je in eerste instantie afvraagt: Wat staat hier op het spel? En waar staat echt iets op het spel? En als je dan scherper zicht hebt op waar maatschappelijk en menselijk echt iets op het spel staat (bijvoorbeeld in het onderwijs vanwege het mogelijk vergroten van kansen voor kinderen uit achtergestelde gezinnen), dat je dan uitzoekt hoe het daar systemisch ‘werkt’, en de vraag beantwoordt: willen wij onszelf aan deze goede zaak verbinden, onszelf in het spel brengen en onszelf ook daadwerkelijk op het spel zetten?

Deze vernieuwing is (nog) niet gelukt. En dat is spijtig, vind ik, ook – en dat is dan weer heel instrumenteel – in verband met onze positionering en profilering.

In de ECM lukt het overigens wel vrij goed om het ethische ongemak onderdeel te laten zijn van wat we met elkaar doen en zijn. Daarbij helpt vooral de confrontatie van de vreemde werelden van Anatolië of (afgelopen jaren) Marokko of (komend jaar) de Bijlmermeer.

Tot zover. Ik geef het stokje aan je over. Moedig zijwaarts!

Hartelijke groet,

Wilfred

Lees hier deel 2.