Mail ons

Overzicht

Over Mehdi – en hoe wij dromen van nieuwkomers smoren

Blogpost 22 Jun 2021

Ongeveer twee jaar geleden hebben mijn vrouw Jet en ik enige tijd onderdak geboden aan Mehdi. Mehdi was toen 24 jaar oud en 7 jaar eerder met zijn vader en twee broers vanuit Iran, via een helse tocht door het hooggebergte, gevlucht naar Europa om hier in vrijheid te kunnen leven, tenminste zolang in hun moederland de totalitaire ayatollahs het voor het zeggen hebben. Mehdi’s moeder was in Iran achtergebleven, in de hoop dat zij te zijner tijd haar gezin achterna zou kunnen reizen naar Europa. Haar man en hun drie zonen waren terechtgekomen in ons plaatselijke AZC. Mehdi vertelde ons dat zijn vader in Iran een goedlopende onderneming had; de familie was welgesteld en nooit islamitisch geweest.

In de zeven jaren tussen Mehdi’s aankomst in Nederland en onze kennismaking had zijn leven ‘on hold’ gestaan; zo zei hij het niet, maar zo was het wel. Terwijl onze twee kinderen – de ene een jaar ouder dan Mehdi, de andere een jaar jonger – in diezelfde zeven jaren hun middelbare school afrondden, een studie volgden en zich ontwikkelden van (aardige) pubers tot zelfstandige volwassenen, zelfverzekerd en geëngageerd, stond Mehdi jarenlang in de wachtstand. De eerste vier jaar wachtte hij op de finale beslissing op zijn asielaanvraag. Toen tenslotte duidelijk werd dat hij (en zijn vader en broers) geen verblijfsvergunning zouden krijgen, volgde een driejarige zwerftocht langs tijdelijke opvangadressen, meestal voor hem geregeld via de Christelijke kerkgemeenschap, waartoe hij zich had bekeerd.

“Mehdi was veranderd van een jongen met toekomstdromen
in een lamgeslagen en licht-depressieve man”

Na zeven jaren, waarin hij niet mocht werken en geen opleiding mocht en kon volgen (in Iran had hij een opleiding architectuur gevolgd), was Mehdi veranderd van een jongen met toekomstdromen in een lamgeslagen en licht-depressieve man, zonder een professioneel sociaal netwerk en zonder toekomstperspectief, noodgedwongen afhankelijk van mensen die hem tijdelijk onderdak boden. Ik had met hem te doen. Mehdi was in Nederland kennelijk een ongewenste gast, maar hij kon of wilde zich niet neerleggen bij de opeenvolgende uitspraken van de IND. Zijn laatste hoop was gevestigd op het vinden van een advocaat, die op no-cure-no-pay basis een nieuwe asielprocedure voor hem wilde starten. Een bevriende, in vreemdelingenrecht gespecialiseerde advocaat, aan wie ik Mehdi’s situatie voorlegde, wilde hem geen valse hoop geven. Mehdi dreigde terecht te komen in de wereld van op geld beluste juridische cowboys, die niet te beroerd bleken om misbruik te maken van zijn kwetsbare en rechteloze positie.


Uitzichtloze impasse

Intussen begon ik mij steeds ongemakkelijker te voelen in de relatie tot Mehdi, en over het feit dat we hem min of meer onderhielden. Weliswaar was hij blij dat hij een tijdelijke woonplek bij ons had gevonden, maar droegen wij niet onbedoeld bij aan het continueren van een jarenlange, uitzichtloze impasse in zijn leven? Wat was eigenlijk de bedoeling en de betekenis van onze hulp? Leidde die er niet toe dat een onbestemde en ongezonde situatie van rechteloze afhankelijkheid schijnbaar eindeloos werd verlengd?

“Leidde onze hulp er niet toe dat een onbestemde en ongezonde situatie van rechteloze afhankelijkheid schijnbaar eindeloos werd verlengd?”

Ik voelde toenemende irritatie: waarom nam deze jonge vent geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven? Waarom accepteerde hij de realiteit niet, door terug te gaan naar Iran? Was hij wel creatief en ondernemend genoeg; waren er dan écht geen mogelijkheden voor hem om zich hier nuttig te maken? (Gelukkig was hij nog niet voor de verleidingen van de criminaliteit bezweken.) Ik voelde mij ook onmachtig: hoe kon ik hem in godsnaam vooruit helpen? Alle denkbare acties ketsten af op het gegeven dat Mehdi in en voor de Nederlandse instituties zogenaamd “statusloos” was, en dus domweg niet bestond.

En daardoor voelde ik me, als Nederlandse staatsburger, ook beschaamd, want hoe onverschillig, onmenselijk en wreed is het om een medemens, in dit geval eigenlijk nog een kind, aan zijn lot over te laten? Wat zegt het over onze samenleving, en over mij als onderdeel hiervan, dat we Mehdi laten spartelen in het niemandsland tussen onze administratieve werkelijkheden (waarin uitgeprocedeerde asielzoekers niet bestaan) en de reële werkelijkheid (waarin Medhi met zijn broers moeten eten en drinken en slapen en gezien voelen en hun dromen leven en al die dingen die een twintiger zo hartstochtelijk moet doen…). Wat voor een samenleving willen wij eigenlijk zijn? Waarover maken we ons druk? Kunnen we écht niet organiseren dat we nieuwkomers binnen een half jaar laten weten of ze hier wel of niet mogen blijven, en zo’n besluit dan ook in daden omzetten? En kunnen we asielzoekers, zoals Mehdi, écht niet in de gelegenheid stellen om zich, in afwachting van daadwerkelijke terugkeer of toelating, verdienstelijk te maken door te werken en/of te leren? Waarom kijken we weg? Wat hebben wij eigenlijk te leren en te veranderen?


De ongedocumenteerde mens

Mehdi was de eerste ‘ongedocumenteerde’ die ik ooit bewust ontmoette, al kan ik dat eigenlijk niet zo zeggen want toen we elkaar ontmoetten gebruikte geen van ons beiden dat etiket. Mehdi was, zeg maar, gewoon Mehdi; sommigen zouden zeggen “de mens Mehdi” – alsof er ook nog een ander soort Mehdi zou zijn…

Nu, twee jaar later, gaan we met 17 ECM-deelnemers een week lang actieonderzoek doen met en naar ‘ongedocumenteerden’. In Amsterdam, en op verzoek van Arre Zuurmond, de Ombudsman Metropool Amsterdam. Arre’s team bracht een paar maanden geleden een onderzoeksrapport uit over ongedocumenteerden. In Amsterdam zijn naar schatting 10.000 tot 30.000 ongedocumenteerden, dat wil zeggen: tienduizenden mensen die in hun leven geen kant op kunnen, omdat ze het label ‘ongedocumenteerd’ opgeplakt hebben gekregen, tienduizenden verschillende mensen (waaronder veel kinderen) die administratief zijn samengevoegd in de categorie ‘ongedocumenteerd’. Die categorie is een sociale constructie, geen toevallige sociale constructie, maar je kunt ook anders naar deze mensen kijken, anders naar ze luisteren, anders met ze leven.

“Wat kan de aanwezigheid van zoveel ongedocumenteerden ons leren over onszelf, over hoe wij onze samenleving organiseren en besturen, over hoe wij onze levens inrichten?”

Kritisch onderzoeken betekent ook: de dominante, soms vanzelfsprekende, categorieën en frames níet overnemen, maar er juist mee gaan spelen. Anders kijken, meervoudig kijken. En ook: in de spiegel kijken. Want wat kan de aanwezigheid van zoveel ongedocumenteerden ons leren over onszelf, over hoe wij onze samenleving organiseren en besturen, over hoe wij onze levens inrichten? Het concept ‘ongedocumenteerd’ zet ons gemakkelijk op een juridisch-administratief spoor. Het verleidt tot denken in formele termen, over wetten, regels, procedures. En dan kijken we al snel naar ‘de overheid’, als de instantie die de vraagstukken rondom ongedocumenteerden zou moeten oplossen, die ons ongemak met betrekking tot ongedocumenteerde medemensen zou moeten wegnemen. Waarom eigenlijk? Wij zijn als samenleving zoveel rijker en veelzijdiger, hebben zoveel meer mogelijkheden dan de overheid heeft (die in haar handelen immers bij uitstek aan veel regels is gebonden).

Ervaringskennis en gedrevenheid

Actieonderzoek doen betekent: met elkaar uitzoeken wat werkt in de rommelige praktijk van alledag; mooie en effectieve initiatieven op het spoor komen en deze een duwtje in de rug geven; gaan begrijpen waarom een bepaalde aanpak in de ene situatie wel werkt en in de andere situatie niet of minder goed. Want actieonderzoek is onderzoek dat het engagement, de ervaringskennis en de gedrevenheid van gewone mensen in hun dagdagelijkse interacties waardeert – en waar mogelijk nog wat verder aanwakkert.

De Canadese socioloog Michael Ignatieff deed vanaf 2013 onderzoek op allerlei plaatsen over de hele wereld, waar mensen de gevolgen ondervinden van steeds verdergaande globalisering. Hij stelde zich de vraag hoe mensen erin slagen om op de één of andere manier door te gaan met hun leven in buitengewoon lastige situaties (die direct of indirect het gevolg van zijn mondialisering), bijvoorbeeld wanneer er een voortdurende toestroom is van nieuwkomers en mensen elkaars taal en cultuur niet delen. Zijn bevindingen verschenen in Nederland in de vorm van een boek getiteld Gewone deugden. Deze titel verwijst naar iets wat Ignatieff op allerlei plaatsen wereldwijd aantrof in het dagelijkse handelen van ‘gewone mensen’: een impliciete, levende, niet-gecodificeerde morele orde, die mensen in hun onderlinge interacties en op dagelijkse basis, met vallen en opstaan, en zo goed en zo kwaad als dat gaat in stand houden.

Gewone deugden

Over zijn bevindingen in het extreem diverse Jackson Heights in New York schrijft Ignatieff onder meer:

“Het meest interessante aan de tolerantie zoals we die in Jackson Heights zagen was dat die zo onopvallend en gewoon was, geworteld in dagelijkse transacties bij het supermarktje, knikjes die worden uitgewisseld tussen bewoners, begroetingen over en weer op straat en incidentele omhelzingen bij bijeenkomsten. De mensen met wie ik sprak waren in hun hart trots op de morele orde die voortkwam uit die tolerantie, maar niet op een ideologische manier. Ze zagen tolerantie bijvoorbeeld niet als een verplichting of iets waaraan ze zich in alle gevallen moesten houden. In hoeverre ze dat deden, was afhankelijk van de persoon in kwestie, de situatie en de geschiedenis die ze samen hadden opgebouwd. Tolerantie was geen universele waarde, maar gewoon de prozaïsche praktijk. Het was een gewone deugd, fragiel, voorwaardelijk, kwetsbaar voor geweld, hard politieoptreden of misdaad, voor haar voortbestaan volledig afhankelijk van het in alle bescheidenheid dag in, dag uit opnieuw worden beoefend.”

Interessant vind ik dat als je als (actie)onderzoeker daadwerkelijk de straat op gaat, relaties aangaat met mensen en je zonder oordeel openstelt voor wat ze je willen zeggen en willen tonen, dat je dan kunt ontdekken dat mensen in de levende praktijk een informele samenleving realiseren, die er officieel niet kan zijn, niet mag zijn en zelfs in zeker zin niet denkbaar is, onbestaanbaar is. Het samenleven blijkt in de praktijk – zoals gezegd: met vallen en opstaan, tot op zekere hoogte, soms meer samen en soms meer naast elkaar enzovoort – te werken, ook waar je dat, van afstand beschouwend en redenerend, niet zou verwachten, en waar het ook niet van hogerhand is geregeld of is mogelijk gemaakt.

“Het samenleven blijkt in de praktijk te werken, ook waar je dat, van afstand beschouwend en redenerend, niet zou verwachten.”

Het ontdekken (en dan koesteren en voeden) wat een sociaal systeem in de dagelijkse realiteit leven geeft en wat (vaak op een rommelige, incoherente, improviserende wijze) werkt, dat is ook één van de hoofdbestanddelen van appreciative inquiry en de waarderende aanpak in actieonderzoek, die de ECM-deelnemers zich eigen maken tijdens de opleiding en waarmee zij eind juni ook aan de slag gaan in de Amsterdamse Bijlmermeer.

Misschien ontstaat er zodoende perspectief voor mensen, zoals Mehdi (in wiens situatie niets wezenlijks is veranderd sinds hij twee jaar geleden tijdelijk bij ons onderdak was).

Tijdens de studieweek zullen de ECM’ers hun ervaringen via social media delen en ook op Sioo’s kanalen zal je meer over het thema tegenkomen. Lees ook Wilfreds vorige blog hierover. Interesse in de ECM? Op 8 juli a.s. organiseren we een gratis online proefcollege met het onderwerp ‘Mogen onze (publieke) leiders nog leren?’ waarna alumni en geïnteresseerden met elkaar in gesprek gaan over de ECM en thema’s die bij de deelnemende bestuurders leven.

Lees meer over het proefcollege

Ongeveer twee jaar geleden hebben mijn vrouw Jet en ik enige tijd onderdak geboden aan Mehdi. Mehdi was toen 24 jaar oud en 7 jaar eerder met zijn vader en twee broers vanuit Iran, via een helse tocht door het hooggebergte, gevlucht naar Europa om hier in vrijheid te kunnen leven, tenminste zolang in hun moederland de totalitaire ayatollahs het voor het zeggen hebben. Mehdi’s moeder was in Iran achtergebleven, in de hoop dat zij te zijner tijd haar gezin achterna zou kunnen reizen naar Europa. Haar man en hun drie zonen waren terechtgekomen in ons plaatselijke AZC. Mehdi vertelde ons dat zijn vader in Iran een goedlopende onderneming had; de familie was welgesteld en nooit islamitisch geweest.

In de zeven jaren tussen Mehdi’s aankomst in Nederland en onze kennismaking had zijn leven ‘on hold’ gestaan; zo zei hij het niet, maar zo was het wel. Terwijl onze twee kinderen – de ene een jaar ouder dan Mehdi, de andere een jaar jonger – in diezelfde zeven jaren hun middelbare school afrondden, een studie volgden en zich ontwikkelden van (aardige) pubers tot zelfstandige volwassenen, zelfverzekerd en geëngageerd, stond Mehdi jarenlang in de wachtstand. De eerste vier jaar wachtte hij op de finale beslissing op zijn asielaanvraag. Toen tenslotte duidelijk werd dat hij (en zijn vader en broers) geen verblijfsvergunning zouden krijgen, volgde een driejarige zwerftocht langs tijdelijke opvangadressen, meestal voor hem geregeld via de Christelijke kerkgemeenschap, waartoe hij zich had bekeerd.

“Mehdi was veranderd van een jongen met toekomstdromen
in een lamgeslagen en licht-depressieve man”

Na zeven jaren, waarin hij niet mocht werken en geen opleiding mocht en kon volgen (in Iran had hij een opleiding architectuur gevolgd), was Mehdi veranderd van een jongen met toekomstdromen in een lamgeslagen en licht-depressieve man, zonder een professioneel sociaal netwerk en zonder toekomstperspectief, noodgedwongen afhankelijk van mensen die hem tijdelijk onderdak boden. Ik had met hem te doen. Mehdi was in Nederland kennelijk een ongewenste gast, maar hij kon of wilde zich niet neerleggen bij de opeenvolgende uitspraken van de IND. Zijn laatste hoop was gevestigd op het vinden van een advocaat, die op no-cure-no-pay basis een nieuwe asielprocedure voor hem wilde starten. Een bevriende, in vreemdelingenrecht gespecialiseerde advocaat, aan wie ik Mehdi’s situatie voorlegde, wilde hem geen valse hoop geven. Mehdi dreigde terecht te komen in de wereld van op geld beluste juridische cowboys, die niet te beroerd bleken om misbruik te maken van zijn kwetsbare en rechteloze positie.


Uitzichtloze impasse

Intussen begon ik mij steeds ongemakkelijker te voelen in de relatie tot Mehdi, en over het feit dat we hem min of meer onderhielden. Weliswaar was hij blij dat hij een tijdelijke woonplek bij ons had gevonden, maar droegen wij niet onbedoeld bij aan het continueren van een jarenlange, uitzichtloze impasse in zijn leven? Wat was eigenlijk de bedoeling en de betekenis van onze hulp? Leidde die er niet toe dat een onbestemde en ongezonde situatie van rechteloze afhankelijkheid schijnbaar eindeloos werd verlengd?

“Leidde onze hulp er niet toe dat een onbestemde en ongezonde situatie van rechteloze afhankelijkheid schijnbaar eindeloos werd verlengd?”

Ik voelde toenemende irritatie: waarom nam deze jonge vent geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven? Waarom accepteerde hij de realiteit niet, door terug te gaan naar Iran? Was hij wel creatief en ondernemend genoeg; waren er dan écht geen mogelijkheden voor hem om zich hier nuttig te maken? (Gelukkig was hij nog niet voor de verleidingen van de criminaliteit bezweken.) Ik voelde mij ook onmachtig: hoe kon ik hem in godsnaam vooruit helpen? Alle denkbare acties ketsten af op het gegeven dat Mehdi in en voor de Nederlandse instituties zogenaamd “statusloos” was, en dus domweg niet bestond.

En daardoor voelde ik me, als Nederlandse staatsburger, ook beschaamd, want hoe onverschillig, onmenselijk en wreed is het om een medemens, in dit geval eigenlijk nog een kind, aan zijn lot over te laten? Wat zegt het over onze samenleving, en over mij als onderdeel hiervan, dat we Mehdi laten spartelen in het niemandsland tussen onze administratieve werkelijkheden (waarin uitgeprocedeerde asielzoekers niet bestaan) en de reële werkelijkheid (waarin Medhi met zijn broers moeten eten en drinken en slapen en gezien voelen en hun dromen leven en al die dingen die een twintiger zo hartstochtelijk moet doen…). Wat voor een samenleving willen wij eigenlijk zijn? Waarover maken we ons druk? Kunnen we écht niet organiseren dat we nieuwkomers binnen een half jaar laten weten of ze hier wel of niet mogen blijven, en zo’n besluit dan ook in daden omzetten? En kunnen we asielzoekers, zoals Mehdi, écht niet in de gelegenheid stellen om zich, in afwachting van daadwerkelijke terugkeer of toelating, verdienstelijk te maken door te werken en/of te leren? Waarom kijken we weg? Wat hebben wij eigenlijk te leren en te veranderen?


De ongedocumenteerde mens

Mehdi was de eerste ‘ongedocumenteerde’ die ik ooit bewust ontmoette, al kan ik dat eigenlijk niet zo zeggen want toen we elkaar ontmoetten gebruikte geen van ons beiden dat etiket. Mehdi was, zeg maar, gewoon Mehdi; sommigen zouden zeggen “de mens Mehdi” – alsof er ook nog een ander soort Mehdi zou zijn…

Nu, twee jaar later, gaan we met 17 ECM-deelnemers een week lang actieonderzoek doen met en naar ‘ongedocumenteerden’. In Amsterdam, en op verzoek van Arre Zuurmond, de Ombudsman Metropool Amsterdam. Arre’s team bracht een paar maanden geleden een onderzoeksrapport uit over ongedocumenteerden. In Amsterdam zijn naar schatting 10.000 tot 30.000 ongedocumenteerden, dat wil zeggen: tienduizenden mensen die in hun leven geen kant op kunnen, omdat ze het label ‘ongedocumenteerd’ opgeplakt hebben gekregen, tienduizenden verschillende mensen (waaronder veel kinderen) die administratief zijn samengevoegd in de categorie ‘ongedocumenteerd’. Die categorie is een sociale constructie, geen toevallige sociale constructie, maar je kunt ook anders naar deze mensen kijken, anders naar ze luisteren, anders met ze leven.

“Wat kan de aanwezigheid van zoveel ongedocumenteerden ons leren over onszelf, over hoe wij onze samenleving organiseren en besturen, over hoe wij onze levens inrichten?”

Kritisch onderzoeken betekent ook: de dominante, soms vanzelfsprekende, categorieën en frames níet overnemen, maar er juist mee gaan spelen. Anders kijken, meervoudig kijken. En ook: in de spiegel kijken. Want wat kan de aanwezigheid van zoveel ongedocumenteerden ons leren over onszelf, over hoe wij onze samenleving organiseren en besturen, over hoe wij onze levens inrichten? Het concept ‘ongedocumenteerd’ zet ons gemakkelijk op een juridisch-administratief spoor. Het verleidt tot denken in formele termen, over wetten, regels, procedures. En dan kijken we al snel naar ‘de overheid’, als de instantie die de vraagstukken rondom ongedocumenteerden zou moeten oplossen, die ons ongemak met betrekking tot ongedocumenteerde medemensen zou moeten wegnemen. Waarom eigenlijk? Wij zijn als samenleving zoveel rijker en veelzijdiger, hebben zoveel meer mogelijkheden dan de overheid heeft (die in haar handelen immers bij uitstek aan veel regels is gebonden).

Ervaringskennis en gedrevenheid

Actieonderzoek doen betekent: met elkaar uitzoeken wat werkt in de rommelige praktijk van alledag; mooie en effectieve initiatieven op het spoor komen en deze een duwtje in de rug geven; gaan begrijpen waarom een bepaalde aanpak in de ene situatie wel werkt en in de andere situatie niet of minder goed. Want actieonderzoek is onderzoek dat het engagement, de ervaringskennis en de gedrevenheid van gewone mensen in hun dagdagelijkse interacties waardeert – en waar mogelijk nog wat verder aanwakkert.

De Canadese socioloog Michael Ignatieff deed vanaf 2013 onderzoek op allerlei plaatsen over de hele wereld, waar mensen de gevolgen ondervinden van steeds verdergaande globalisering. Hij stelde zich de vraag hoe mensen erin slagen om op de één of andere manier door te gaan met hun leven in buitengewoon lastige situaties (die direct of indirect het gevolg van zijn mondialisering), bijvoorbeeld wanneer er een voortdurende toestroom is van nieuwkomers en mensen elkaars taal en cultuur niet delen. Zijn bevindingen verschenen in Nederland in de vorm van een boek getiteld Gewone deugden. Deze titel verwijst naar iets wat Ignatieff op allerlei plaatsen wereldwijd aantrof in het dagelijkse handelen van ‘gewone mensen’: een impliciete, levende, niet-gecodificeerde morele orde, die mensen in hun onderlinge interacties en op dagelijkse basis, met vallen en opstaan, en zo goed en zo kwaad als dat gaat in stand houden.

Gewone deugden

Over zijn bevindingen in het extreem diverse Jackson Heights in New York schrijft Ignatieff onder meer:

“Het meest interessante aan de tolerantie zoals we die in Jackson Heights zagen was dat die zo onopvallend en gewoon was, geworteld in dagelijkse transacties bij het supermarktje, knikjes die worden uitgewisseld tussen bewoners, begroetingen over en weer op straat en incidentele omhelzingen bij bijeenkomsten. De mensen met wie ik sprak waren in hun hart trots op de morele orde die voortkwam uit die tolerantie, maar niet op een ideologische manier. Ze zagen tolerantie bijvoorbeeld niet als een verplichting of iets waaraan ze zich in alle gevallen moesten houden. In hoeverre ze dat deden, was afhankelijk van de persoon in kwestie, de situatie en de geschiedenis die ze samen hadden opgebouwd. Tolerantie was geen universele waarde, maar gewoon de prozaïsche praktijk. Het was een gewone deugd, fragiel, voorwaardelijk, kwetsbaar voor geweld, hard politieoptreden of misdaad, voor haar voortbestaan volledig afhankelijk van het in alle bescheidenheid dag in, dag uit opnieuw worden beoefend.”

Interessant vind ik dat als je als (actie)onderzoeker daadwerkelijk de straat op gaat, relaties aangaat met mensen en je zonder oordeel openstelt voor wat ze je willen zeggen en willen tonen, dat je dan kunt ontdekken dat mensen in de levende praktijk een informele samenleving realiseren, die er officieel niet kan zijn, niet mag zijn en zelfs in zeker zin niet denkbaar is, onbestaanbaar is. Het samenleven blijkt in de praktijk – zoals gezegd: met vallen en opstaan, tot op zekere hoogte, soms meer samen en soms meer naast elkaar enzovoort – te werken, ook waar je dat, van afstand beschouwend en redenerend, niet zou verwachten, en waar het ook niet van hogerhand is geregeld of is mogelijk gemaakt.

“Het samenleven blijkt in de praktijk te werken, ook waar je dat, van afstand beschouwend en redenerend, niet zou verwachten.”

Het ontdekken (en dan koesteren en voeden) wat een sociaal systeem in de dagelijkse realiteit leven geeft en wat (vaak op een rommelige, incoherente, improviserende wijze) werkt, dat is ook één van de hoofdbestanddelen van appreciative inquiry en de waarderende aanpak in actieonderzoek, die de ECM-deelnemers zich eigen maken tijdens de opleiding en waarmee zij eind juni ook aan de slag gaan in de Amsterdamse Bijlmermeer.

Misschien ontstaat er zodoende perspectief voor mensen, zoals Mehdi (in wiens situatie niets wezenlijks is veranderd sinds hij twee jaar geleden tijdelijk bij ons onderdak was).

Tijdens de studieweek zullen de ECM’ers hun ervaringen via social media delen en ook op Sioo’s kanalen zal je meer over het thema tegenkomen. Lees ook Wilfreds vorige blog hierover. Interesse in de ECM? Op 8 juli a.s. organiseren we een gratis online proefcollege met het onderwerp ‘Mogen onze (publieke) leiders nog leren?’ waarna alumni en geïnteresseerden met elkaar in gesprek gaan over de ECM en thema’s die bij de deelnemende bestuurders leven.

Lees meer over het proefcollege