Mail ons

Overzicht

What? So what? Now what? Drie vragen van een bedrieglijke eenvoud

Blogpost 29 May 2019

Glenda Eoyang is de tweede internationale spreker die een masterclass tijdens Sioo Internationaal Systeemfestival verzorgt. Glenda is een pionier in complexiteitstheorie en grondlegger van Human System Dynamics en het CDE-model. Met ‘Tame Wicked Issues’ verzorgde ze op 28 mei een verrassend (inter)actieve masterclass.

Glenda opent haar verhaal door de zaal een aantal vragen te stellen: “Wie werkt er in de publieke sector?’ en ‘Wie werkt er in de private sector?’ om te vervolgen met: “De publieke sector kent een hogere mate van complexiteit dan de private sector”. Ook wil ze graag weten wie er op een schaal van 1 tot 5 een beginner is in de theorie en de praktijk van het werken in complex adaptieve systemen. Vervolgens nodigt ze de deelnemers met een ‘beginners mind’ uit om zeker hun vragen te stellen, omdat die mindset vaak sterk de essentie raakt. Later zullen we beter begrijpen wat maakt dat dit voor haar van belang is. De ervaren practitioners onder ons wordt gevraagd hun voorbeelden te delen.  Daarmee is de toon van de bijeenkomst gezet. Ondanks het feit dat we in een bioscoopzaal zitten, ontstaat er actie en actieve participatie, zelfs op het podium.

Toch weer hoop

De toon wordt ook gezet door haar inleiding waarin ze aangeeft dat ze pragmatisch is en dat ze ondanks alles hoop blijft houden, ook als situaties haar niet hoopvol stemmen. Juist die situaties maken het nodig om een uitweg te vinden. Een sterk contrast met het verhaal van Margaret Wheatley die vooraf al waarschuwde dat het een deprimerende ochtend zou worden. Glenda daarentegen is hoopvol en optimistisch, dat valt de deelnemers direct op. Je kunt iets doen. Je moet iets doen. Dat zal vanwege de grote complexiteit niet perfect zijn, maar ook midden in de onzekerheid kan je iets doen en door iets te doen leer je over het patroon in het systeem. Op basis daarvan kan je weer iets anders gaan doen. “Fail Fast, Learn Fast, Improve Fast.”

Maar hoe zit dat nu met ‘complexiteit’? Het is een woord, maar er zijn zoveel verschillende soorten complexe rommelige patronen. Aan de hand van foto’ s geeft ze wat voorbeelden. Een kleurrijke bos van draden en veters, een ruimte propvol met boeken, een volgebouwd stuk stad, een aantal vogels aan de rand van het strand.  Het is maar hoe lang en hoe goed je kijkt of je er patronen in kunt zien. De ruimte vol boeken lijkt een chaos, maar elk boek afzonderlijk heeft een structuur. De huizen lijken ordelijk, maar in de huizen zit juist dynamiek. Sommige soorten complexiteit zijn geschikt voor het doel, ‘Fit for purpose’ noemt ze dat.

Wat maakt complexe patronen nu zo wicked? Onze oude aannames en hulpmiddelen zijn dan niet geschikt voor het doel. We kunnen wicked complexe problemen alleen maar ‘temmen’ met nieuwe aannames en hulpmiddelen.

Wicked problems

Wicked problems hebben een aantal kenmerken. Als je denkt dat je ze opgelost hebt, blijven ze niet opgelost. Er ontstaat ergens anders weer een ander vraagstuk, vaak ook omdat er maar een perspectief op losgelaten wordt, terwijl ze in interactie tussen vele stakeholders ontstaan die vaak onverzoenlijk verschillende perspectieven op ontstaan en oplossing hebben. In de pauze sprak ik hierover met een van de deelnemers aan de hand van de verslavingsproblematiek in Rotterdam die in de jaren ‘70-‘80 een enorm groot probleem was. Nu lijkt het over het algemeen onder controle, beschouwd vanuit de gezondheidsproblematiek en de openbare orde in Rotterdam. Kijk je naar de XTC-labs in Brabant, dan is het probleem helemaal niet opgelost, maar verplaatst en veranderd. Oplossen kan dus niet. Beinvloeden wel.  Dat kan echter alleen als je naar het niveau van het patroon kijkt en niet op het probleem zelf duikt. 

Hoe doe je dat? Wat zijn hulpmiddelen die je als practitioner kunt gebruiken om die complexe wicked vraagstukken te temmen? Daarvoor kunnen we gebruik maken van haar drie vragen die de adaptive action-cirkel: ‘What?’, ‘So what?’ en ‘Now what?’. Door het stellen van deze drie vragen verbind je je met het complexe systeem. De what-vraag gaat over welke patronen er zichtbaar zijn in de chaos. De so what-vraag over welke spanningen in het patroon je kunt gebruiken om bij de now what-vraag een actie te identificeren die je kunt nemen om beweging in het patroon te krijgen. 

Dat is de bedrieglijke eenvoud. In de praktijk is het een fikse klus om allereest de patronen te zien en vervolgens de vervolgvragen te beantwoorden. Juist als je al een tijdje vastzit in een complexe situatie heb je daar een sluitend narratief over opgebouwd die je alleen nog maar meer vastzet. Om eruit te komen heb je anderen nodig die jou vragen stellen. Daarmee gaan we aan de slag: een situatie beschrijven in drie zinnen, waarna een mededeelnemer ons gedurende drie minuten open vragen mag stellen die we niet mogen beantwoorden. Goede vragen vlijken enorm helpend te zijn. Ze geven direct inzicht en helpen mensen uit hun eigen ‘box’ te komen, zoals een van de deelnemers het noemt.

Now what?

De kunst van vragen stellen is om: een oordeel om te zetten in nieuwsgierigheid (1), een meningsverschil om te zetten in gezamenlijk onderzoek (2), defensief gedrag in reflectie (3) en veronderstellingen in vragen (4) en deze insteken helpen meteen ook te zien om welk type patroon het gaat. Dat is ook de reden dat ze vooral mensen met een ‘beginnersmindset’ uitnodigde om vragen te stellen, Haar aanname is, denk ik, dat beginners nieuwsgierig, onderzoekend en vrij van oordelen zijn.

Een fikse valkuil is om in de what-vraag te ver door te schieten, te veel te willen weten en om te ingewikkelde patronen in beeld te brengen en in de Analysis Paralysis-valkuil te trappen. Ook dat is een patroon dat mensen soms gevangen houdt; dan kom je niet tot actie. Je moet net genoeg snappen van het patroon dat je een weloverwogen, wijze, actie kunt nemen. Jouw actie en de doorgaande observaties van het emergerende patroon houden het wiel van ‘what’, ‘so what’, en ‘now what’ gaande waarbij het de kunst is om onzekerheid toe te laten.

Het laatste hulpmiddel dat ze presenteert, is een door haar aangepaste versie van  Stacey’s oude Complexity Model met de drie verschillende zones, De stabiele context waar veel zeker is en er een hoge mate van overeenstemming bestaat, de emergente context met weinig zekerheid en weinig overeenstemming en de onstabiele context met een hoge mate van onzekerheid en geen overeenstemming. Ze vraagt ons vervolgens: “Waar ben je nu met je complexe vraagstuk, waar wil je naar toe en hoe ga je daar komen?” Het vermogen om heen en weer te bewegen tussen de zones draagt bij aan veerkracht. Ze sluit dan ook af met de opmerking dat er in haar optiek niets mis is met een stabiele context, want het draait allemaal om ‘fit for function’.

Smaakt ons systeemfestival naar meer?

Glenda Eoyang is de tweede internationale spreker die een masterclass tijdens Sioo Internationaal Systeemfestival verzorgt. Glenda is een pionier in complexiteitstheorie en grondlegger van Human System Dynamics en het CDE-model. Met ‘Tame Wicked Issues’ verzorgde ze op 28 mei een verrassend (inter)actieve masterclass.

Glenda opent haar verhaal door de zaal een aantal vragen te stellen: “Wie werkt er in de publieke sector?’ en ‘Wie werkt er in de private sector?’ om te vervolgen met: “De publieke sector kent een hogere mate van complexiteit dan de private sector”. Ook wil ze graag weten wie er op een schaal van 1 tot 5 een beginner is in de theorie en de praktijk van het werken in complex adaptieve systemen. Vervolgens nodigt ze de deelnemers met een ‘beginners mind’ uit om zeker hun vragen te stellen, omdat die mindset vaak sterk de essentie raakt. Later zullen we beter begrijpen wat maakt dat dit voor haar van belang is. De ervaren practitioners onder ons wordt gevraagd hun voorbeelden te delen.  Daarmee is de toon van de bijeenkomst gezet. Ondanks het feit dat we in een bioscoopzaal zitten, ontstaat er actie en actieve participatie, zelfs op het podium.

Toch weer hoop

De toon wordt ook gezet door haar inleiding waarin ze aangeeft dat ze pragmatisch is en dat ze ondanks alles hoop blijft houden, ook als situaties haar niet hoopvol stemmen. Juist die situaties maken het nodig om een uitweg te vinden. Een sterk contrast met het verhaal van Margaret Wheatley die vooraf al waarschuwde dat het een deprimerende ochtend zou worden. Glenda daarentegen is hoopvol en optimistisch, dat valt de deelnemers direct op. Je kunt iets doen. Je moet iets doen. Dat zal vanwege de grote complexiteit niet perfect zijn, maar ook midden in de onzekerheid kan je iets doen en door iets te doen leer je over het patroon in het systeem. Op basis daarvan kan je weer iets anders gaan doen. “Fail Fast, Learn Fast, Improve Fast.”

Maar hoe zit dat nu met ‘complexiteit’? Het is een woord, maar er zijn zoveel verschillende soorten complexe rommelige patronen. Aan de hand van foto’ s geeft ze wat voorbeelden. Een kleurrijke bos van draden en veters, een ruimte propvol met boeken, een volgebouwd stuk stad, een aantal vogels aan de rand van het strand.  Het is maar hoe lang en hoe goed je kijkt of je er patronen in kunt zien. De ruimte vol boeken lijkt een chaos, maar elk boek afzonderlijk heeft een structuur. De huizen lijken ordelijk, maar in de huizen zit juist dynamiek. Sommige soorten complexiteit zijn geschikt voor het doel, ‘Fit for purpose’ noemt ze dat.

Wat maakt complexe patronen nu zo wicked? Onze oude aannames en hulpmiddelen zijn dan niet geschikt voor het doel. We kunnen wicked complexe problemen alleen maar ‘temmen’ met nieuwe aannames en hulpmiddelen.

Wicked problems

Wicked problems hebben een aantal kenmerken. Als je denkt dat je ze opgelost hebt, blijven ze niet opgelost. Er ontstaat ergens anders weer een ander vraagstuk, vaak ook omdat er maar een perspectief op losgelaten wordt, terwijl ze in interactie tussen vele stakeholders ontstaan die vaak onverzoenlijk verschillende perspectieven op ontstaan en oplossing hebben. In de pauze sprak ik hierover met een van de deelnemers aan de hand van de verslavingsproblematiek in Rotterdam die in de jaren ‘70-‘80 een enorm groot probleem was. Nu lijkt het over het algemeen onder controle, beschouwd vanuit de gezondheidsproblematiek en de openbare orde in Rotterdam. Kijk je naar de XTC-labs in Brabant, dan is het probleem helemaal niet opgelost, maar verplaatst en veranderd. Oplossen kan dus niet. Beinvloeden wel.  Dat kan echter alleen als je naar het niveau van het patroon kijkt en niet op het probleem zelf duikt. 

Hoe doe je dat? Wat zijn hulpmiddelen die je als practitioner kunt gebruiken om die complexe wicked vraagstukken te temmen? Daarvoor kunnen we gebruik maken van haar drie vragen die de adaptive action-cirkel: ‘What?’, ‘So what?’ en ‘Now what?’. Door het stellen van deze drie vragen verbind je je met het complexe systeem. De what-vraag gaat over welke patronen er zichtbaar zijn in de chaos. De so what-vraag over welke spanningen in het patroon je kunt gebruiken om bij de now what-vraag een actie te identificeren die je kunt nemen om beweging in het patroon te krijgen. 

Dat is de bedrieglijke eenvoud. In de praktijk is het een fikse klus om allereest de patronen te zien en vervolgens de vervolgvragen te beantwoorden. Juist als je al een tijdje vastzit in een complexe situatie heb je daar een sluitend narratief over opgebouwd die je alleen nog maar meer vastzet. Om eruit te komen heb je anderen nodig die jou vragen stellen. Daarmee gaan we aan de slag: een situatie beschrijven in drie zinnen, waarna een mededeelnemer ons gedurende drie minuten open vragen mag stellen die we niet mogen beantwoorden. Goede vragen vlijken enorm helpend te zijn. Ze geven direct inzicht en helpen mensen uit hun eigen ‘box’ te komen, zoals een van de deelnemers het noemt.

Now what?

De kunst van vragen stellen is om: een oordeel om te zetten in nieuwsgierigheid (1), een meningsverschil om te zetten in gezamenlijk onderzoek (2), defensief gedrag in reflectie (3) en veronderstellingen in vragen (4) en deze insteken helpen meteen ook te zien om welk type patroon het gaat. Dat is ook de reden dat ze vooral mensen met een ‘beginnersmindset’ uitnodigde om vragen te stellen, Haar aanname is, denk ik, dat beginners nieuwsgierig, onderzoekend en vrij van oordelen zijn.

Een fikse valkuil is om in de what-vraag te ver door te schieten, te veel te willen weten en om te ingewikkelde patronen in beeld te brengen en in de Analysis Paralysis-valkuil te trappen. Ook dat is een patroon dat mensen soms gevangen houdt; dan kom je niet tot actie. Je moet net genoeg snappen van het patroon dat je een weloverwogen, wijze, actie kunt nemen. Jouw actie en de doorgaande observaties van het emergerende patroon houden het wiel van ‘what’, ‘so what’, en ‘now what’ gaande waarbij het de kunst is om onzekerheid toe te laten.

Het laatste hulpmiddel dat ze presenteert, is een door haar aangepaste versie van  Stacey’s oude Complexity Model met de drie verschillende zones, De stabiele context waar veel zeker is en er een hoge mate van overeenstemming bestaat, de emergente context met weinig zekerheid en weinig overeenstemming en de onstabiele context met een hoge mate van onzekerheid en geen overeenstemming. Ze vraagt ons vervolgens: “Waar ben je nu met je complexe vraagstuk, waar wil je naar toe en hoe ga je daar komen?” Het vermogen om heen en weer te bewegen tussen de zones draagt bij aan veerkracht. Ze sluit dan ook af met de opmerking dat er in haar optiek niets mis is met een stabiele context, want het draait allemaal om ‘fit for function’.

Smaakt ons systeemfestival naar meer?